Annot. Art. 83quinquies
Art. 83quinquies.
§ 1. De taken van algemeen bestuur die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputatie en die niet onder de bevoegdheid vallen van de Gemeenschappen of de in artikel 60 bedoelde instellingen, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
De taken van algemeen bestuur die in de provincies worden uitgeoefend door de provincieraden en die geen aangelegenheden zijn die behoren tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen of de in artikel 60 bedoelde instellingen, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.
§ 2. De rechtsprekende taken die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputatie, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door een college van 9 leden die door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, op voordracht van zijn Regering, worden aangesteld. Ten minste drie leden behoren tot de minst talrijke taalgroep.
Voor de leden van dit college gelden dezelfde onverenigbaarheden als voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies.
Bij de procedure voor het college moeten dezelfde regels nageleefd worden als die welke van toepassing zijn wanneer in de provincies de bestendige deputatie een rechtsprekende taak vervult.
§ 3. De taken die door of krachtens de wet of het decreet toegewezen zijn aan de provincieraad worden, wat het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, betreft, uitgeoefend door de taalgroepen bedoeld in artikel 60, tweede, derde en vierde lid en de verenigde vergadering bedoeld in artikel 60, vierde lid, telkens als het gaat om een zaak die tot de bevoegdheid van deze laatsten behoort.
De taken die door of krachtens de wet of het decreet toegewezen zijn aan de bestendige deputatie worden, wat het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, betreft, uitgeoefend door de colleges bedoeld in artikel 60, tweede, derde en vierde lid, telkens als het gaat om een zaak die tot de bevoegdheid van deze laatsten behoort.
§ 4. De Koning brengt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de bestaande wetten in overeenstemming met de in de §§ 1, 2 en 3 vervatte regels.