Trefwoorden:Brussels Hoofdstedelijk Gewest, motie van wantrouwen parlement, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werking regering, gemeenschaps- en gewestparlementen, motie van wantrouwen, minister, ministeriële verantwoordelijkheid
Annot. Art. 36
Art. 36.
§ 1. De artikelen 68, eerste lid, 69, 70, 72 en 73 van de bijzondere wet zijn mede van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt het statuut van haar leden.
Het Parlement kan te allen tijde een motie van wantrouwen tegen de Regering of een of meer van haar leden aannemen.
Deze motie is alleen dan ontvankelijk wanneer zij een opvolger voorstelt, naar gelang van het geval, voor de Regering, voor een lid of voor meer leden.
Over de motie van wantrouwen kan slechts gestemd worden na verloop van achtenveertig uur.
Zij kan slechts aangenomen worden bij de meerderheid van de leden van het Parlement wanneer ze gericht is tegen de voorzitter, en bij de meerderheid van de leden van het Parlement en de meerderheid van de leden van elke taalgroep, wanneer ze gericht is tegen de Regering.
Wanneer ze gericht is tegen een lid van de Regering, met uitzondering van de voorzitter, kan ze slechts worden aangenomen bij de meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe dit lid van de Regering behoort.
Wanneer evenwel, in geval van toepassing van artikel 35, § 2, tweede lid, zo'n motie gericht is tegen een lid van de regering dat tot de Nederlandse taalgroep behoort, moet zij, niettegenstaande artikel 10, worden aangenomen bij volstrekte meerderheid van de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, samengesteld overeenkomstig artikel 60, vijfde lid.
De aanneming van de motie heeft het ontslag van de Regering of van het betwiste lid of de betwiste leden tot gevolg, benevens de aanstelling van de nieuwe Regering, het nieuwe lid of de nieuwe leden.
§ 2. De aanneming van een motie van wantrouwen tegen het college of een of meer van haar leden, wanneer de Franse Gemeenschapscommissie overeenkomstig artikel 138, van de Grondwet, decreetgevende macht uitoefent, heeft niet enkel het ontslag tot gevolg van het college of van het betwiste lid of de betwiste leden, maar ook, naar gelang het geval, van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering die tot de Franse taalgroep behoren of van één lid of meer leden hiervan. De aanneming van de motie heeft niet alleen de aanstelling tot gevolg van het nieuwe college, het nieuwe lid of de nieuwe leden, maar ook, naar gelang het geval, van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering die tot de Franse taalgroep behoren of van één lid of meer leden hiervan.
Wanneer bedoeld ontslag en aanstelling betrekking hebben op de Voorzitter is bovendien artikel 35, § 2, derde lid, van toepassing.