Trefwoorden:Brussels Hoofdstedelijk Gewest, verkiezing parlement, constitutieve autonomie, verkiesbaarheidsvoorwaarden, verkiezingen, gemeenschaps- en gewestparlementen
Annot. Art. 12
Art. 12.
§ 1. Om lid te zijn van het Parlement moet men:
1° Belg zijn;
2° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
3° de volle leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;
4° zijn woonplaats hebben in een gemeente van het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet en in overeenstemming daarmee ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van die gemeente;
5° niet verkeren in een der gevallen van uitsluiting of van schorsing bedoeld in de artikelen 6 tot 9bis van het Kieswetboek.
De verkiesbaarheidsvereisten moeten vervuld zijn op de dag van de verkiezing, met uitzondering van de woonplaats- en de inschrijvingsvereisten waaraan reeds voldaan moet zijn zes maanden vóór de verkiezing.
§ 2. Artikel 24bis, §§ 2 en 2ter, van de bijzondere wet is van toepassing op het mandaat van lid van het Parlement. Behoudens wat de personeelsleden van het onderwijs betreft, is het mandaat van lid van het Parlement bovendien onverenigbaar met het ambt van lid van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag staat van het college van een gemeenschapscommissie of van het verenigd college.
Artikel 23 van de bijzondere wet is van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.
Bovendien is het mandaat van lid van het Parlement onverenigbaar met het mandaat van lid van het Vlaams Parlement.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 24bis, § 2, 3°, van de bijzondere wet, houdt een lid van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement dat door de Koning tot federaal minister of staatssecretaris wordt benoemd en de benoeming aanneemt, onmiddellijk op zitting te hebben en neemt het zijn mandaat weer op wanneer de Koning een einde heeft gemaakt aan zijn ambt van minister of staatssecretaris. Hij wordt vervangen door de eerst in aanmerking komende opvolger van de lijst waarop hij gekozen is.
Een minister of een staatssecretaris van een federale regering die aan de Koning haar ontslag heeft aangeboden, kan echter na een vernieuwing van het Parlement zijn ambt van minister of staatssecretaris verenigen met het mandaat van lid van het Parlement tot op het ogenblik waarop de Koning over dat ontslag een definitieve beslissing heeft genomen.
Het Parlement kan bij ordonnantie de nadere regelen van de vervanging bedoeld in het eerste lid, tweede zin, wijzigen, aanvullen of vervangen. Het kan bij ordonnantie het tweede lid wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 4. Indien krachtens artikel 138 van de Grondwet, een lid van het Parlement dat lid is van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van de Franse Gemeenschapsregering staat, overgedragen wordt naar de Franse Gemeenschapscommisie en lid wordt van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van het College van de Franse Gemeenschapscommissie staat, ontstaat de overenigbaarheid bedoeld in § 2, eerste lid, tweede zin, de zestigste dag na zijn overdracht.
Behalve indien hij geniet van een regime van politiek verlof, verliest de belanghebbende, na verloop van deze termijn, van rechtswege zijn mandaat van lid van het Parlement indien hij niet ondertussen zijn ambt of mandaat heeft opgezegd van lid van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van het College van de Franse Gemeenschapscommissie staat.
§ 5. Het Parlement kan bij ordonnantie bijkomende onverenigbaarheden instellen.