Wetshistoriek

Vervangen bij de grondwetsherziening van 30 maart 2001 (BS 31 maart 2001).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Advies van de Raad van State van 25 januari 2017 over een voorontwerp van wet 'tot regeling van de private en bijzondere veiligheid', Parl.St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2388/1

Blz. 166:

“[ALGEMENE OPMERKINGEN]

1.4. Het lijdt a priori geen twijfel dat het garanderen van de veiligheid van personen en goederen altijd één van de regale opdrachten van de Staat is geweest in het kader van het sociaal contract, waarbij de soevereine natie zich door middel van de Grondwet en de wetten die krachtens de Grondwet zijn uitgevaardigd, omringt met instellingen die werk moeten maken van datgene wat het algemeen belang vereist, en daartoe gebruikmaakt van de eigen middelen die worden geïnd bij de nationale collectiviteit via een belasting waarmee vrijelijk is ingestemd.

Het idee dat de Staat de gemeenschappelijke veiligheid moet garanderen is niet nieuw, vermits het reeds ingang vond aan het begin van de juridische moderniteit. In artikel 12 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789 stond immers het volgende (vertaling):

“De waarborg van de rechten van de mens en van de burger vereisen een politiemacht; deze macht is dus ingesteld voor het voordeel van allen en niet voor het particulier gebruik van hen aan wie ze is toevertrouwd.” Voetnoot 6 van het geciteerde advies:  Zie ook EHRM, arrest Steel e.a. t. Verenigd Koninkrijk, 23 september 1998, waarin het Hof opmerkt dat “le devoir de maintenir l’ordre fait partie des devoirs de l’État” (§ 48).

Aangezien het voorontwerp de deelname van de privésector aan het overheidsbeleid inzake veiligheid niet alleen verankert, regelt en er een kader voor creëert, maar er tevens sprake is van de “ontwikkeling [daarvan] gedurende de komende jaren”, rijst onvermijdelijk de vraag of het voorontwerp in beginsel aanvaardbaar is. Bij dit voorontwerp worden immers met betrekking tot de aangelegenheden die erbij worden geregeld, traditionele politieopdrachten geprivatiseerd die de overheid reeds sedert enige tijd geleidelijk aan uit handen geeft, daar het voorontwerp in grote lijnen de regeling overneemt en uitbreidt die ingevoerd is bij de wet van 10 april 1990 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’, welke wet bij het voorontwerp wordt opgeheven.

Hoewel blijkt dat noch uit de Grondwet, noch uit de theorie van de grondrechten rechtstreeks een algemene beperking van de privatisering kan worden afgeleid, moeten wat dat betreft niettemin verscheidene grondwetsbepalingen met het voorontwerp in verband worden gebracht. Voetnoot 7 van het geciteerde advies:  Zie daarover B. Lombaert (ed.), Les partenariats public-privé: un défi pour le droit des services publics, Brugge, die Keure, 2005.

1.5. Het gaat in de eerste plaats om de bepalingen die titel VI van de Grondwet vormen waarvan het opschrift “De gewapende macht” luidt.

De geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vormt meer bepaald, naast het leger (artikelen 182, 183 en 186 van de Grondwet), het instrument dat bij de Grondwet toegewezen is aan de gewapende macht (artikel 184 van de Grondwet).

Daaruit volgt dat niets van wat te maken heeft met het wezen zelf van de gewapende macht toevertrouwd mag worden aan andere dan de voornoemde instellingen, waarbij het leger is samengesteld uit “militairen” in de zin van artikel 186 van de Grondwet en de geïntegreerde politie uit “personeelsleden” die krachtens artikel 184 van de Grondwet onder een statuut vallen waarvan de essentiële elementen bij wet moeten worden geregeld. Voetnoot 8 van het geciteerde advies:  In dit verband moet worden opgemerkt dat arbeidscontractanten, die niet zijn onderworpen aan het statutaire stelsel maar aan de ongewisheden van contractonderhandelingen, niet gemachtigd zijn opdrachten van gerechtelijke of van bestuurlijke politie uit te voeren, behalve indien ze daartoe worden gemachtigd door een uitdrukkelijke wettelijke bepaling: zie inzonderheid RvS, advies 50.372/AV/4, op 4 juli 2012 gegeven over een voorontwerp van ordonnantie “tot wijziging van de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest”.

Die regels vormen een eerste beperking waarmee de wetgever in het kader van het voorliggende voorontwerp rekening moet houden: het voorontwerp zou immers een schending van de Grondwet inhouden als de opdrachten van openbare veiligheid die het aan de privateveiligheidssector wil toevertrouwen dermate ruim zouden zijn dat ze volledig of ten dele zouden vallen onder de kerntaken van de gewapende macht, en als zodanig uitsluitend door het leger of door de federale of de lokale politie mogen worden uitgevoerd.

Gelet op de beginselen die hier in het geding zijn, is het dus van belang dat de memorie van toelichting uit dit oogpunt wordt aangevuld door daarin te vermelden op grond van welke beginselen het voorontwerp een onderscheid maakt tussen de opdrachten die, op het gebied van de veiligheid van personen en goederen, eventueel kunnen worden geprivatiseerd en de opdrachten die volgens de wetgever tot de exclusieve bevoegdheid van de overheid moeten blijven behoren. Voetnoot 9 van het geciteerde advies:  Vergelijk met de memorie van toelichting bij het ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan de wet van 7 mei 2004 ‘tot wijziging van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, de wet van 29 juli 1934 waarbij private milities verboden worden en de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective’ (Parl.St. Kamer 2002-03, nr. 2328/1). De gelegenheid die wordt geboden door een wet op de private veiligheid, die voortvloeit uit een algemene reflectie over de vraag in welke mate de “markt van de private veiligheid” een rol kan spelen in het “geïntegreerd veiligheidsbeleid”, moet immers te baat worden genomen om dergelijke beginselen te bevestigen, aangezien het de taak is van de wetgever om bij de wetten die hij krachtens de Grondwet uitvaardigt, vorm te geven aan de opties die zijn vastgelegd in de Grondwet.

Wat de deelname van de privateveiligheidssector aan het algemeen veiligheidsbeleid betreft, komt het er evenwel op aan te weten waar de wetgever de grens zal trekken. Er zit immers, om maar enkele voorbeelden te noemen, heel wat ruimte tussen een private veiligheid die zich beperkt tot de passieve bewaking van bedrijfsruimten of woningen en die geen betrekking kan hebben op personen en een private veiligheid die ertoe leidt dat de overheid zich op talrijke domeinen van de bestuurlijke politie in grote mate of zelfs bijna volledig terugtrekt als operator op het terrein. Er is ook een verschil in benadering tussen een private veiligheid die gewoonweg materiële uitvoering moet geven aan beslissingen die door de bevoegde politionele autoriteiten genomen zijn of de overheid moet ontlasten van toezichts- en beschermingsopdrachten op domeinen waar weinig contact is met het grote publiek (geldtransport, bescherming van kwetsbare sites, enz.) en een private veiligheid die opdrachten uitvoert die een concrete impact hebben op de vrijheid (oppervlakkige fouillering van personen, bagage doorzoeken, beelden bekijken in het kader van videobewaking, enz.). Er is ook een fundamenteel verschil tussen een private veiligheid die haar prerogatieven in afgesloten of kleine ruimtes uitoefent en een private veiligheid die de ordediensten zou bijstaan op de openbare weg in het kader van patrouilles. Ten slotte is het betrekken van privébewakingsagenten bij het uitvoeren van opdrachten van bestuurlijke politie om te voorkomen dat misdaden en wanbedrijven worden gepleegd niet hetzelfde als het betrekken van privébewakingsagenten bij verbaliseringsopdrachten en opdrachten van gerechtelijke politie (bijvoorbeeld huiszoeking, enz.). Voetnoot 10 van het geciteerde advies: Wat al deze kwesties betreft, zie X. Latour, “La place du secteur privé dans la politique moderne de sécurité”, AJDA 2010, 657-663. Voetnoot 11 van het geciteerde advies: De noodzaak om de bevoegdheden van dezen en genen klaar en duidelijk op te splitsen blijkt eveneens uit de adviezen van het College van procureurs-generaal en het Commissariaatgeneraal van de federale politie; in het advies van het College van procureurs-generaal wordt er tevens op gewezen dat de “uitbreiding van ogen en oren op het terrein” “sneller [zal] leiden tot vragen tot politionele (en mogelijks justitiële) interventie”, waardoor “een capaciteitsvraagstuk” zal rijzen om daaraan het hoofd te bieden.

Lees meer

Zie ook