Parlementaire voorbereiding

Verslag namens de commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen, Parl. St. Kamer 2018-2019, nr. 54-2628/009

Blz. 3 :

[...]

"II. — INLEIDENDE UITEENZETTING

De heer Servais Verherstraeten (CD&V), hoofdindiener van het voorstel, geeft aan dat het voorlezen van een vonnis in de zittingszaal voorbijgestreefd is. Het zou nuttiger zijn de voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte van het vonnis, op voorwaarde dat de integrale tekst in elektronische vorm op de website van de betrokken instantie voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt. Om die en andere wijzen van bekendmaking mogelijk te maken, strekt dit voorstel ertoe in de Grondwet op te nemen dat de bekendmaking voortaan plaatsvindt op de wijze die de wetgever bepaalt.

III. — BESPREKING EN STEMMINGEN

Enig artikel

Het enig artikel strekt ertoe de tweede zin van artikel 149 van de Grondwet te vervangen door wat volgt:

“Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”.

De heer Christian Brotcorne en de heer Francis Delpérée c.s. dienen amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) in, dat ertoe strekt de volgende wijzigingen aan te brengen:

1° in de Franse tekst:

a) de woorden “est publié” vervangen door de woorden “est rendu public”;

b) de woorden “en vertu de” vervangen door het woord “par”;

2° in de Nederlandse tekst het woord “krachtens” vervangen door het woord “door”;

3° de ontworpen zin vervolledigen met een zin, luidende:

“In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte voorgelezen in een openbare zitting.”.

Er wordt verwezen naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

De heer Servais Verherstraeten (CD&V) geeft aan dat hij het amendement uiteraard steunt. Voorts verwijst de spreker naar wetsvoorstel DOC 54 3489/001 van mevrouw Onkelinx c.s., dat in samenhang met het voorliggende voorstel moet worden gelezen. Met dat wetsvoorstel wordt immers ingegaan op bepaalde tijdens de hoorzittingen geformuleerde opmerkingen, in het bijzonder met betrekking tot het Hof van Cassatie en betreffende de waarborgen aangaande de inachtneming van de persoonlijke levenssfeer van de partijen.

Mevrouw Laurette Onkelinx (PS) bevestigt dat de commissie voor de Justitie dat wetsvoorstel binnenkort zal bespreken. Amendement nr. 1 alsmede het aldus gewijzigde enig artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.

[…]

IV. — BIJLAGE – HOORZITTING VAN 4 JULI 2018

Hoorzitting met:

— De heer Sébastien Van Drooghenbroeck, hoogleraar aan de Université Saint-Louis Bruxelles;

— De heer Patrick Peeters, hoogleraar aan de KU Leuven;

— De heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain;

— De heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège en aan de KU Leuven.

A. Uiteenzettingen

De heer Sébastien Van Drooghenbroeck, hoogleraar aan de Université Saint-Louis Bruxelles, brengt in herinnering dat, volgens de traditionele interpretatie van artikel 149 van de Grondwet, ongewijzigd gebleven sinds 1831, de beslissingen van de vonnisgerechten van de rechterlijke orde verplicht worden voorgelezen tijdens een openbare terechtzitting.

Dit is een absolute verplichting – ze slaat op “elk vonnis”, zonder uitzondering – maar volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof is ze alleen van toepassing op de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, en daarentegen niet op de administratieve rechtbanken, het Grondwettelijk Hof of de tuchtrechtbanken van de beroepsordes. Voor die “buitengerechtelijke” rechtsinstanties vloeit de openbaarheid van de uitspraak niet voort uit de Grondwet, maar alleen uit de wettekst waarbij ze worden ingesteld of, in voorkomend geval, uit de erkende rechtstreekse gevolgen in België van de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Deze interpretatie is uiteraard onderhevig aan evolutie, zoals wordt geïllustreerd door het arrest van het Hof van Cassatie van 29 november 2011, in de zaak Lernout & Hauspie. In dat arrest geeft het Hof aan dat artikel 149 van de Grondwet ertoe strekt een voor het publiek toegankelijk toezicht op de rechterlijke beslissingen mogelijk te maken. Die doelstelling vereist in de regel de integrale voorlezing op de openbare terechtzitting van zowel de motieven als het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing. Het Hof stelt echter dat deze doelstelling ook kan worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing, in elk geval het beschikkend gedeelte, en door het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de integrale rechterlijke beslissing.

Een dergelijke evolutieve interpretatie heeft echter beperkingen. Het beginsel van het integraal voorlezen blijft overeind: in het advies uitgebracht over het wetsvoorstel tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen (Parl. St. Kamer, DOC 54 0918/003) was de Raad van State van oordeel dat indien wordt overwogen om, algemeen en abstract beschouwd, het hardop voorlezen slechts voor te behouden aan het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing, een voorafgaande grondwettelijke herziening van artikel 149 – thans voor herziening vatbaar – nodig is.

Het loutere feit dat dit artikel voor herziening vatbaar is, geeft aan dat de Preconstituante zich tot op zekere hoogte kan vinden in de traditionele interpretatie van artikel 149, zodat slechts via een herziening van dit artikel kan worden afgeweken van het beginsel van de integrale voorlezing tijdens een openbare terechtzitting.

Aangezien artikel 149 van de Grondwet voor herziening vatbaar werd verklaard, is de grondwettelijke belemmering overkomelijk.

Er kunnen dus vraagtekens worden geplaatst bij de reikwijdte van een mogelijke herziening van dit artikel. Daar artikel 149 van de Grondwet is ingevoegd in hoofdstuk 6 van titel III van de Grondwet, gewijd aan de rechterlijke macht, zou de herziening, zoals opgevat door de ter bespreking voorliggende tekst, alleen de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde betreffen, met uitzondering van de andere rechtsmachten (waaronder het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, maar ook de administratieve rechtbanken, opgericht door de gemeenschappen en de gewesten op grond van hun impliciete bevoegdheden). Het zou echter verkieslijk zijn om een stap verder te gaan en een eenvormige openbaarheid voor de gezamenlijke rechtsmachten te overwegen, alsook, in ons grondwettelijk recht, af te stappen van de versnipperde tot zelfs incoherente aanpak inzake het recht op een eerlijk proces dat vandaag uit “stukken en brokken” bestaat.

De spreker benadrukt dat deze bekommering geenszins louter esthetisch is; uiteenlopende rechtsstelsels inzake het recht op een eerlijk proces die naast elkaar bestaan, leiden tot echte moeilijkheden: die grote variaties in het recht op een eerlijk proces in België vallen moeilijk te verantwoorden voor de internationale rechter. De openbaarheid van de rechterlijke uitspraken is een delicate evenwichtsoefening tussen de transparantie van justitie en de privacybescherming van de betrokkenen. Hoe valt te verantwoorden dat het bereikte evenwichtspunt verschilt naargelang van de Belgische rechtbank waar men mee te maken heeft? Om die reden pleit de spreker voor een eenvormig geheel van bepalingen, van toepassing op alle geschillen.

Internationaalrechtelijk vormt artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden de hoeksteen in deze aangelegenheid. Aangaande het “vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen” bepaalt dat artikel het volgende: “De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen”.

De overvloedige rechtspraak van het Hof verduidelijkt welke interpretatie aan deze bepaling moet worden gegeven. Het Hof hoedt zich voor een formalistische en letterlijke lezing en eist daarom niet dat de uitspraken luidop worden voorgelezen.

Het Hof ziet er echter op toe dat de met de bekendmaking van de vonnissen nagestreefde doelstelling, namelijk de controle op de rechterlijk activiteit, kan worden bereikt in de loop van de procedure opgevat als een geheel, en het beoordeelt in het licht van die doelstelling in elk afzonderlijk geval de in het nationale recht vastgestelde vormen van bekendmaking (zie EHRM 17 januari 2008, arrest Ryakib Biryoutov vs. Rusland).

Hoewel de tekst van artikel 6 geen uitzondering op de openbaarmaking van de uitspraak toestaat, heeft het Hof impliciet dergelijke beperkingen toegestaan in bepaalde uitzonderlijke situaties, anders dan met de openbaarheid van de terechtzittingen. In het arrest B. en P. vs. het Verenigd Koninkrijk heeft het Hof de absolutistische, letterlijke interpretatie van artikel 6 verworpen en geconcludeerd dat het Verdrag niet onvoorwaardelijk vereiste dat de vonnissen, die in dit geval betrekking hadden op het toezicht op de kinderen, ter beschikking van het grote publiek moesten worden gesteld; de reden was dat men anders de beslotenheid van de terechtzitting, die in de loop van de hele procedure was opgelegd, zou uithollen.

Hoewel op deze beslissing kritiek is geuit (zie het afwijkend standpunt van rechter Françoise Tulkens), vindt de spreker dat ze verantwoord kan zijn in naam van de noodzakelijke samenhang en de leer van de “systeembeperkingen”: woordelijk niet beperkbare rechten kunnen toch worden beperkt wanneer ze ingaan tegen andere rechten die uit hetzelfde instrument voortvloeien – in dit geval het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.

In advies nr. 44.203/2 over een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het sluiten der deuren in familiezaken (Parl. St., Senaat, 4-295/2), is de Raad van State op basis van dezelfde leer van de systeembeperkingen tot de conclusie gekomen dat artikel 149 van de Grondwet ruimte laat voor een uitzondering op het beginsel van het stelselmatig uitspreken van de beslissingen tijdens de openbare terechtzitting, met name wegens het recht op eerbiediging van het privéleven.

De bekendmaking van de rechterlijke beslissingen vereist een afweging tussen moeilijk met elkaar te verzoenen rechten en belangen:

— de rechten van de rechtzoekenden;

— het recht van het publiek en het openbaar belang om toegang te krijgen tot gerechtelijke beslissingen, aangezien de rechtspraak een officiële rechtsbron is;

— de bescherming van het privéleven van de personen die op een of andere grond bij een gerechtelijke beslissing betrokken zijn (partijen, getuigen, derden).

Wat de laatste belangencategorie betreft, wordt het zoeken naar een evenwicht almaar delicater, als gevolg van de toenemende digitalisering van de gerechtelijke beslissingen, de voortdurende verbetering van de zoekinstrumenten (online of in de databanken) en de toegenomen bezorgdheid over de bescherming van het privéleven, die nog prangender is geworden sinds de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

In arrest C.C. vs. Spanje van 6 oktober 2009 werd de verwerende Staat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld, omdat men had nagelaten een gerechtelijke beslissing te anonimiseren waarbij melding werd gemaakt van de seropositiviteit van de eiser. In hetzelfde arrest wordt gesteld dat het evenwicht tussen de belangen van het publiek en dat van de rechtzoekende perfect had kunnen worden bereikt, zelfs buiten de anonimisering om, door een beperking van het recht van het publiek op kennisname van de bestreden beslissing.

Hoe kan men dan de a priori tegenstrijdige eisen inzake transparantie van het gerecht (en van toegang tot de rechterlijke beslissingen) en inzake bescherming van de gegevens met elkaar verzoenen?

Een oplossing voor deze op het eerste gezicht tegenstrijdige eisen is het anonimiseren van de beslissingen (zie het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering, wat de bekendmaking van vonnissen en arresten betreft, DOC 54 3489/001).

Hoe eenvoudig dat beginsel ook lijkt, makkelijk toe te passen is het niet: in hoeverre kan men de beslissingen anonimiseren zonder ze onbegrijpelijk te maken? Hoe kan men zich beveiligen tegen de technologische ontwikkelingen die het mogelijk maken de anonimiteit te omzeilen?

Het rapport “L’open data des décisions de justice”, het zogenaamde rapport-Cadiet, dat op 9 januari 2017 aan de Franse minister van Justitie werd overhandigd, illustreert perfect die bedenkingen: “L’anonymisation d’une décision de justice suppose donc de garantir, au regard des moyens susceptibles d’être employé s – en l’é tat actuel des technologies mais, surtout, en tenant compte des perspectives technologiques futures – que les personnes concerné es par les décisions ne soient plus susceptibles d’être identifié es directement ou indirectement, selon un processus qui empêche cette identification de manière irréversible. Or, l’application de ces règles aux décisions de justice montre qu’il est quasiment impossible de satisfaire à ces conditions, sauf à retirer de la décision l’essentiel de son contenu et à porter atteinte à son intelligibilité et à sa motivation, exigences fondamentales du droit à un procès équitable. Les décisions de justice sont en effet des documents comportant des éléments de texte très construits. Elles contiennent un nombre très important de données réidentifiantes, particulièrement au sein de la motivation de la décision, qui comprend de nombreux éléments de contexte pouvant conduire, notamment par des croisements avec d’autres bases de donné es, à une ré identification des personnes.”.

Voor de heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain, vormt artikel 149 van de Grondwet het voorbeeld bij uitstek van een bepaling die een belang nastreeft dat sinds 1831 niet aan democratische legitimiteit heeft ingeboet (“het toezicht van de burger op het gerecht”) maar dat voorbijgestreefd is door de technologische evolutie. Voorts staat de absolute formulering van de bepaling geen uitzonderingen toe op de toepassing ervan, behalve via een interpretatie die spoort met de fundamentele waarborgen.

De spreker wijst erop dat de verklaring tot herziening van artikel 149 van de Grondwet, die werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2014, een motief bevat dat niet bindend is voor de Grondwetgever. Die is immers vrij de strekking van die grondwetsbepaling te wijzigen zonder zich te moeten beperken tot de door de Preconstituante beoogde doelstelling (“afwijkingen (…) voorzien op de verplichte integrale voorlezing (…) in openbare zitting”).

 Bijgevolg rijzen verschillende vragen:

1° Moet de bepaling inzake de bekendmaking van de vonnissen, ongeacht de inhoud, uit de tekst van de Grondwet worden gehaald en bijvoorbeeld in het Gerechtelijk Wetboek worden opgenomen?

Er dient op te worden gewezen dat verschillende Europese Staten dit aspect via een wettekst hebben geregeld. Dit is bijvoorbeeld het geval in Duitsland, maar niet in Nederland, Zwitserland en België. De spreker is van oordeel dat, aangezien het een fundamenteel recht betreft, de essentiële aspecten ervan in de Grondwet zelf moeten worden vastgelegd;

2° Indien de bepaling die dit beginsel huldigt in de tekst van de Grondwet behouden blijft, welke inhoud moet die dan hebben? En hoe worden de nadere regels ervan bepaald? Moeten die worden opgenomen in de Grondwet zelf of kan dit aspect aan de wetgever of zelfs aan de Koning worden toevertrouwd (wat dit voorstel tot herziening ook lijkt te beogen: “krachtens de wet” betekent immers niet hetzelfde als “bij de wet”)?

Indien de eventuele nadere regels van het herziene artikel 149 aan het oordeel van de wetgever worden overgelaten, moet de grondwettigheid van de wet waarin die regels worden vastgelegd zorgvuldig worden getoetst. Indien artikel 149 van de Grondwet geen deel uitmaakt van de grondwettelijke normen waaraan het Grondwettelijk Hof de grondwettigheid toetst, kan die toetsing niettemin worden uitgevoerd via andere grondwettelijke bepalingen waarvan het Grondwettelijk Hof de naleving waarborgt: alle fundamentele rechten en vrijheden die worden gewaarborgd bij titel II van de Grondwet (artikelen 8 tot 32), alsook de Grondwetsartikelen 143, § 1, (het beginsel van federale loyauteit), 170 (het legaliteitsbeginsel inzake belastingen) , 172 (het gelijkheidsbeginsel in fiscale aangelegenheden) en 191 (bescherming van vreemdelingen). De nadere regels inzake de openbaarheid en de bekendmaking van rechterlijke beslissingen zullen, indien ze bij wet zijn vastgelegd, bij het Grondwettelijk Hof of via een andere weg kunnen worden betwist, bijvoorbeeld deze via artikel 22 van de Grondwet (recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer).

3° In welke regels inzake de bekendmaking van rechterlijke beslissingen moet worden voorzien?

Er dient op te worden gewezen dat de hoven en rechtbanken ondanks de strikte formulering van artikel 149 van de Grondwet ook nu al bepaalde nadere regels toepassen in de marge van de tekst van de Grondwet; het ware dan ook verstandig de meest redelijke praktijken in de tekst op te nemen, alsook de praktijken die het best te verantwoorden zijn in het licht van de teleologische interpretatie van de Grondwet (“het toezicht van de burger op het gerecht”).

Er zou een stap verder kunnen worden gezet door te voorzien in regels inzake de (elektronische) bekendmaking van de rechterlijke beslissingen, maar dan rijzen meteen vragen over de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en over de keuzes die moeten worden gemaakt aangaande de verwerking van informatie op naam en van andere persoonlijke gegevens: het bekendmaken van de naam en de voornaam van de partijen in het geding valt kennelijk niet te verantwoorden in het licht van een algemene openbaarheid van de rechterlijke beslissingen; openbaarmaking om het citeren te vergemakkelijken vormt uiteraard geen legitiem doel.

De overblijvende opties zijn de anonimisering (die beoogt om volstrekt en onomkeerbaar alles te voorkomen wat kan bijdragen tot de identificatie van een persoon) – maar daarbij rijzen problemen op het vlak van de bevattelijkheid van de beslissingen – en de pseudoanonimisering (een werkwijze waarbij wordt beoogd dat het niet mogelijk is iemand te herkennen zonder toegang tot bijkomende informatie). De pseudo-anonimisering kan systematisch of geval per geval (cf. de thans door het Belgisch Grondwettelijk Hof gebezigde praktijk) worden toegepast, maar men moet nagaan of die werkwijze altijd relevant zal zijn, in het bijzonder wegens de technologische evolutie.

Het debat aangaande de pseudo-anonimisering van de gerechtelijke beslissingen was de jongste jaren heel intens; er kan, wat België betreft, met name worden verwezen naar de aanbeveling vanwege de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uit 2012, waarin wordt gesteld dat bij de bekendmaking van de gerechtelijke beslissingen de pseudo-anonimisering moet worden opgelegd; wat Frankrijk betreft, moet het voormelde rapport-Cadiet worden vermeld; op het niveau van de Europese Unie moet dan weer met Verordening 2016/679 (“AVG”) rekening worden gehouden.

De Grondwetgever zou het beginsel van de pseudoanonimisering van de elektronisch bekendgemaakte rechterlijke beslissingen (op het internet) moeten opleggen en minstens moeten vereisen dat de wezenlijke aspecten van de bekendmaking met betrekking tot rechtszaken worden vastgelegd door de wetgever. Ter zake lijkt, zoals hoger aangegeven, het voorstel tot herziening een stap te ver te gaan.

Met dit handvol beschouwingen is het debat aangaande de pseudo-anonimisering niet rond; er moet ook op worden gewezen dat de onlinebekendmaking risico’s inhoudt met betrekking tot het recht om te worden vergeten (het is heel goed mogelijk dat de online gezette rechterlijke uitspraak ad vitam aeternam online blijft staan, hetgeen problematisch is); tevens bestaat het risico dat de huidige en toekomstige profileringstechnieken niet sluitend zijn (hoe worden de rechters- en advocatenprofielen opgemaakt: per behandelde materie of naargelang van de trend van de uitspraken waarbij ze zijn betrokken?).

4° Moet worden voorzien in algemene uitzonderingen op de huidige regel? Indien dat het geval is, moeten die in artikel 149 zelf worden vermeld; toch zou dat niet betekenen dat tegen België op basis van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen procedure zou kunnen worden ingesteld.

5° Moet het verplicht blijven om in openbare zitting bepaalde uitspraken integraal voor te lezen, bijvoorbeeld in strafzaken? Vanuit bepaalde beschouwingen in verband met criminologie en strafrecht wordt hiervoor gepleit en wordt de preventieve aard van een dergelijke maatregel benadrukt, maar men moet ook rekening houden met het mogelijk stigmatiserend effect van een openbare voorlezing.

De heer Patrick Peeters, hoogleraar aan de KU Leuven, licht toe dat om historische redenen artikel 149 in de loop van de tijd op verschillende wijzen is uitgelegd; aanvankelijk echter was de voornaamste bekommering bij de interpretatie van het grondwettelijk voorschrift de bescherming tegen willekeur.

Artikel 149 beschermt immers drie heel belangrijke waarden:

— via deze bepaling wordt het gerecht democratisch gecontroleerd, wat niet alleen - en zelfs niet in de eerste plaats - van belang is voor de partijen in het geding; het betreft hier een waarborg die de samenleving ten goede komt;

— door de transparantie van het gerecht te verzekeren, schept men vertrouwen in het gerecht als instantie;

— tot slot vervult de transparantie een cruciale rol bij de verspreiding van de inhoud van de gerechtelijke uitspraken en bewerkstelligt ze aldus de rol van het gerecht inzake de opbouw van rechtspraak.

Moeten vandaag de vonnissen en arresten nog integraal worden voorgelezen? Wat moet er gebeuren als het vonnis 2 000 bladzijden telt, zoals dat het geval was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van Cassatie van 29 november 2011? Is het geen tijd om de traditionele uitlegging van artikel 149 van de Grondwet te herzien, teneinde ten minste de verplichting tot openbare voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte en de middelen die er noodzakelijk aan ten grondslag liggen?

De spreker meent dat het voorstel tot herziening terecht het vraagstuk van de bekendmaking van de vonnissen en arresten aansnijdt. In het tijdperk van de juridische gegevensbanken is een dergelijke update meer dan relevant.

Voormeld wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft, beoogt in strafzaken de voorlezing tot het beschikkend gedeelte van de uitspraak te beperken. Die beperking roept vragen op. Waarom zou, in het bijzonder in strafzaken, niet worden bepaald dat de voorlezing van het dictum het minimum vormt? Zulks zou een aansporing kunnen zijn om over te gaan tot een volledige voorlezing van de uitspraak wanneer dat aangewezen lijkt.

Tevens rijst de vraag waarom in datzelfde wetsvoorstel artikel 1109 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de procedure bij het Hof van Cassatie betreft, wordt weggelaten. Houdt zulks in dat alleen nog het Hof van Cassatie zijn arresten integraal zou moeten voorlezen, of gaat het om een vergetelheid? De spreker pleit ervoor in de grondwettelijke voorschriften de minimumvereisten inzake voorlezing en openbaarheid te bepalen, waarbij tevens de mogelijkheid wordt geboden in de praktijk te voorzien in een uitgebreider voorlezing of in een ruimere openbaarheid, naargelang van de omstandigheden. Tevens meent hij dat de grondwettelijke voorschriften een normerende dimensie moeten behouden en dat zij uitzonderingen alleen mogen toestaan in de wettelijk bepaalde gevallen en omstandigheden, naar analogie met artikel 22 van de Grondwet.

Voorts mag niet worden vergeten dat de Grondwet thans, overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, moet worden gelezen in samenhang met andere bepalingen, in dit geval met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Tot slot kan de spreker zich vinden in de uiteenzetting van de vorige spreker inzake de bedoeling die de Preconstituante in de verklaring tot herziening heeft aangegeven. Volgens een vaste rechtsleer inzake grondwetsherzieningen is de Grondwetgever niet door deze doelstelling gebonden.

De heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège en aan de KU Leuven, bevestigt dat artikel 149 van de Grondwet voor volledige herziening vatbaar is verklaard, waarbij de Grondwetgever niet gebonden is door de door de Preconstituante aangegeven doelstellingen en beperkingen.

Zelfs in de landen (Duitsland bijvoorbeeld) die de regel inzake de openbaarheid van de rechterlijke beslissingen niet in de Grondwet hebben opgenomen, werd deze regel niettemin op grote schaal opgenomen in de constitutionele rechtspraak, gezien het belang ervan in een rechtsstaat.

De uitspraak van het vonnis in openbare rechtszitting heeft ingrijpende praktische gevolgen: vanaf de voorlezing wordt de zaak aan de rechter onttrokken en gaat de termijn in waarbinnen bepaalde vormen van hoger beroep kunnen worden ingesteld. Zoals eerder aangegeven, heeft de openbaarheid van de rechterlijke beslissingen niet louter betrekking op de partijen in het geding: alle burgers zijn potentiële belanghebbenden en moeten in kennis worden gesteld van de wijze waarop de hoven en rechtbanken het recht interpreteren en ten uitvoer leggen (totstandkoming van de rechtspraak); tevens moeten zij inzicht kunnen verwerven in de werking van het gerechtelijk apparaat. De Staat moet alle burgers informeren over de wijze waarop hij het alleenrecht over de wettelijke gewelduitoefening hanteert.

Dit voorstel tot herziening strekt ertoe te bepalen dat elk vonnis openbaar bekend wordt gemaakt “op de wijze bepaald krachtens de wet”. Deze formulering maakt het mogelijk de machtiging té ruim op te vatten; ze wijkt met name af van het bepaalde in artikel 22 van de Grondwet, dat het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven waarborgt. Een dergelijke ruime machtiging waarbij met name de Koning bepaalde nadere regels inzake bekendmaking zou kunnen vaststellen, is niet gerechtvaardigd op grond van de interne samenhang van de Grondwet, noch ten aanzien van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) strekt ertoe dat aspect recht te zetten, door in de Franse tekst de woorden “en vertu de” te vervangen door het woord “par”.

Volgens de spreker mag de openbare voorlezing van het beschikkend gedeelte niet worden beperkt tot louter de strafrechtelijke beslissingen; hij wijst erop dat de voorlezing in openbare rechtszitting een vaste dagtekening aan de rechterlijke beslissing toekent. Zo in strafzaken alleen het beschikkend gedeelte van de beslissing wordt voorgelezen, moet de rechtzoekende hoe dan ook onmiddellijk toegang worden verleend tot het niet-voorgelezen gedeelte van de beslissing, aangezien zulks een invloed heeft op zijn beroepsmogelijkheden.

Met betrekking tot de justitiële databanken zij opgemerkt dat het principe ervan veel vragen opwerpt en dat ze ingrijpende praktische gevolgen hebben. De vraag rijst of álle beslissingen in een elektronisch bestand moeten worden opgenomen. Quid met de bewaringstermijn? Wat zijn de gevolgen indien deze bestanden ad vitam aeternam zouden worden bewaard? Vanaf wanneer zouden de rechterlijke beslissingen moeten worden gewist? Zou een dergelijke wissing hoe dan ook geen maat voor niets zijn wanneer databanken door derden worden aangelegd in het kader van bekendmakingen die de overheid heeft geregeld of waartoe ze een machtiging heeft verleend? Ingeval een databank overgaat tot een automatische wissing van beslissingen, kunnen partijen dan, om bijzondere persoonlijke redenen, vragen dat een beslissing die op hen betrekking heeft, vroeger wordt gewist? En, omgekeerd, zijn er beslissingen die omwille van hun belang voor de rechtspraak, nooit zullen worden gewist?

Met betrekking tot de (bijna volledige) anonimisering van de rechterlijke beslissingen is het belangrijk erop te wijzen dat elkeen, ongeacht of hij/zij al dan niet bekend is, het recht heeft niet te kijk te worden gezet. In hun bijdrage aan het onderzoek naar de robotisering van het gerecht geven Jean-Pierre Buyle en Adrien Van den Branden aan dat de ontwikkeling van de opslag- en de profileringstechnieken de efficiëntie van de anonimiseringstechnieken ter discussie stelt. Bepaalde gespecialiseerde ondernemingen bieden immers nu al programma’s aan om profileringstechnieken op rechtzoekenden toe te passen; het is wachten op het gebruik van deze programma’s door de magistraten en de advocaten, zoals dat in Frankrijk gaandeweg het geval is.

B. Gedachtewisseling

De heer Francis Delpérée (cdH) herinnert aan de consensus die bestaat omtrent de herziening van het in artikel 149 van de Grondwet vervatte algemene raamwerk inzake de openbaarheid van de vonnissen. Vandaag lijkt de in die bepaling vervatte verplichting achterhaald. De vraag is welke richting het uit moet en vervolgens hoe een en ander kan worden bewerkstelligd; kan alles, zoals de indieners van het voorstel tot herziening van de Grondwet suggereren, aan de wetgever of zelfs de Koning worden gedelegeerd (cf. de bewoordingen “openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”)?

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) merkt op dat de sprekers wel degelijk duidelijk hebben gewezen op bepaalde absurde elementen in de besproken teksten. Daarbij gaat het dan vooral om de in de voorgestelde tekst opgenomen, te ruime delegatie voor de herziening van artikel 149 (cf. “krachtens de wet”). Inmiddels schijnen de indieners van het voorstel zelf zich daarvan bewust te zijn geworden, aangezien amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) met name dat punt beoogt te corrigeren.

De grondwettigheidscontrole is ook aan bod gekomen: in hoeverre zal het Grondwettelijk Hof zijn controle kunnen uitoefenen op artikel 149, in de nieuwe redactie ervan, en op de wet die aan dat artikel uitvoering geeft? Zal het Hof noodzakelijkerwijs ageren via het beginsel van gelijkheid en van non-discriminatie, of zijn er andere “constructies” mogelijk (bijvoorbeeld op grond van artikel 22 van de Grondwet)? Zou niet moeten worden overwogen de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof te wijzigen, teneinde de grondwettigheidstoetsing uit te breiden en er artikel 149 van de Grondwet in op te nemen?

In verband met de anonimisering of de pseudonimisering somt de spreker een aantal alternatieve denksporen op die ertoe strekken de anonimiteit van de partijen op lange termijn te waarborgen: moet niet aan anonimisering worden gedacht van bij de redactie van het vonnis? Zou niet moeten worden gezorgd voor een geanonimiseerde versie van het vonnis die van de voorgelezen integrale versie verschilt?

Niettemin is het mogelijk dat geen enkele van die oplossingen volledig soelaas brengt.

De spreker neemt nota van de opmerking dat in het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van strafvordering, wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft, voorbij is gegaan aan artikel 1109 van het Gerechtelijk Wetboek.

Mocht, ten slotte, in de toekomst in de openbare terechtzitting alleen het bepalend gedeelte van de beslissing worden voorgelezen, dan acht de spreker het wenselijk dat de partijen niettemin onmiddellijk de integrale beslissing meegedeeld krijgen. Zoals al is gesteld, is het immers niet alleen zaak dat de betrokkenen behoorlijk kunnen nagaan of het wenselijk is eventueel beroep in te stellen, maar is het ook de bedoeling een correcte onderlinge informatieverstrekking tussen de advocaat en diens cliënt mogelijk te maken.

De heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain, antwoordt op de vraag van de vorige spreker over de eventuele opneming van artikel 149 in de grondwettigheidstoetsing. Mocht het tot die opneming komen, dan acht hij het wenselijk dat artikel 149 nauwkeuriger de in acht te nemen nadere regels aangeeft.

De bescherming van het privéleven en de inachtneming van de teksten – zoals de AVG – die daartoe strekken, vormen in dezen slechts een zeer gering probleem indien men zich tijdens de openbare terechtzitting beperkt tot de (integrale of beperkte) voorlezing (bijvoorbeeld van het dispositief). De kwestie rijst alleen (maar dan wel écht acuut) wanneer een elektronische bekendmaking wordt overwogen. In dat geval heeft men met gegevensverwerking te maken en is de AVG toepasselijk; de anonimisering of de pseudonimisering zullen in het licht van de profileringstechnieken niet alle moeilijkheden regelen. Er bestaat een reëel risico op schending van de persoonlijke levenssfeer.

Volgens de heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège, mag de bewaring van rechterlijke beslissingen in de gegevensbanken niet lijken op een bijkomende straf, die bovendien weleens op levenslang zou kunnen neerkomen. Indien de voorlezing van een beslissing tijdens de openbare terechtzitting mogelijkerwijs een onmiddellijk stigmatiserend effect heeft voor de betrokken rechtzoekende, dan zal dat effect nooit slechts tijdelijk zijn. A contrario houdt de levenslange bewaring van de beslissing in een gegevensbank het risico in dat de rechtzoekende elke dag de indruk heeft met een nieuwe uitspraak te worden geconfronteerd.

Er moet weliswaar nog worden gepreciseerd welke exacte afbakening moet worden gegeven aan de verplichting om de rechterlijke beslissingen te anonimiseren, maar nu al is het voorspelbaar dat er moeilijkheden kunnen rijzen."