Parlementaire voorbereiding

 Amendementen, Parl.St. Kamer 2017-2018, nr. 54-2628/006

Blz. 2 :

"Nr. 1 VAN DE HEREN BROTCORNE EN DELPÉRÉE c.s.

Enig artikel

In de ontworpen zin de volgende wijzigingen aanbrengen:

1° in de Franse tekst:

a) de woorden “est publié” vervangen door de woorden “est rendu public”;

b) de woorden “en vertu de” vervangen door het woord “par”;

2° in de Nederlandse tekst het woord “krachtens” vervangen door het woord “door”;

3° De ontworpen zin vervolledigen met een zin, luidende:

“In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte voorgelezen in een openbare zitting.”.

VERANTWOORDING

Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat het vonnis integraal in openbare terechtzitting wordt uitgesproken. Voor zowel de betrokken rechtzoekenden als het publiek kan die integrale voorlezing saai en niet echt belangrijk zijn. In veel gevallen creëert zij een nodeloze werkbelasting. De wetgever moet die vereiste kunnen terugschroeven wanneer zij geen echte meerwaarde heeft.

De openbaarheid van de vonnissen is niettemin fundamenteel en is verankerd in artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als bestanddeel van het recht op een eerlijk proces; dat artikel bepaalt in dat verband dat “het vonnis in het openbaar [moet] worden gewezen”.

Het Europees Hof voor de rechten van de mens interpreteert in zijn rechtspraak die bepaling niet langer letterlijk. Het huldigt nu het principe dat voor elk geval afzonderlijk de vorm van de openbaarheid van het vonnis waarin het interne recht van de betrokken Staat voorziet, moet worden afgewogen, meer bepaald in het licht van de specifieke kenmerken van de betrokken procedure en naargelang van het doel en de strekking van artikel 6, § 1 Voetnoot 1 van het geciteerde advies: Advies van de Raad van State nr. 57 903/1 van 16 september 2015 met betrekking tot wetsvoorstel DOC 54 0918/001 tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen. Parl. St., Kamer van volksvertegenwoordigers, zitting 2015-2016, DOC 54 0918/003 .

Het Hof van Cassatie van zijn kant had in zijn arrest van 29 november 2011 een opening gecreëerd voor nadere voorwaarden die afwijken van de integrale openbare voorlezing van de vonnissen. Het had immers voor recht gezegd dat de verplichting een vonnis in terechtzitting uit te spreken ertoe strekte het publiek kennis te doen nemen van de rechterlijke beslissingen en dat die doelstelling ook kan “worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing met in elk geval het beschikkend gedeelte, samen met het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de rechterlijke beslissing door verspreiding via andere publicatievormen zoals het internet” Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Ibid., advies van de Raad van State, blz. 7, alsook DOC 54 0918/001, blz. 4..

Dit amendement beoogt de bij de Grondwet opgelegde verplichting om het vonnis in alle aangelegenheden integraal voor te lezen terug te schroeven, maar tegelijk te waarborgen dat in strafzaken het dispositief in openbare terechtzitting wordt uitgesproken. Die waarborg komt bovenop de verplichting om het integrale vonnis openbaar te maken. Het feit dat voortaan wel nog het beschikkend gedeelte van het vonnis zou worden voorgelezen – zij het enkel in strafzaken – heeft drie redenen: ten eerste de partijen terdege inzicht verschaffen in de inhoud van het vonnis; voorts de rechter ertoe verplichten zijn verantwoordelijkheid voor zijn beslissing op zich te nemen in het bijzijn van het publiek en van de rechtzoekenden; en ten slotte het doen ingaan van de beroepstermijn, ingeval de persoon ter zitting aanwezig is.

Buiten die strafrechtelijke aangelegenheden beoogt het amendement de wetgever de mogelijkheid te bieden te voorzien in andere manieren om vonnissen te wijzen dan via een voorlezing in openbare terechtzitting of zelfs de ondertekening van de vonnissen in openbare terechtzitting. Wel zullen in de wet de nadere voorwaarden moeten worden opgenomen volgens welke de vonnissen zullen moeten worden gewezen.

Dit amendement beoogt er eveneens voor te zorgen dat die versoepelingen geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor het publiek om kennis te nemen van het volledige vonnis, zodra het in welke vorm ook is gewezen. Zo voorziet het in de openbare bekendmaking van het vonnis op het ogenblik van de uitspraak in strafzaken, dan wel wanneer het vonnis wordt gewezen in de overige zaken. Het amendement doet aldus geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het publiek om kennis te nemen van de integrale tekst van het vonnis op het ogenblik van de uitspraak, maar staat het minder stringente nadere voorwaarden toe dan de integrale voorlezing ervan.

Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat het vonnis openbaar bekendgemaakt (“rendu public”) wordt, veeleer dan bekendgemaakt” (“publié”); het recht van het publiek om kennis te nemen van de integrale tekst van het vonnis doet aldus geen afbreuk aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de rechtzoekenden. De bekendmaking van de vonnissen houdt immers in dat iedereen ze zonder tijdsbeperking kan raadplegen, en dat de erin vervatte gegevens automatisch kunnen worden verwerkt. Een dergelijke bekendmaking zou – althans in een aantal gevallen – ondenkbaar zijn zonder dat de erin vervatte gegevens eerst anoniem zijn gemaakt.

De bekendmaking is een van de vormen van openbaarheid van de vonnissen in de zin van dit amendement. Ingeval die bekendmaking door de wetgever in aanmerking wordt genomen, zal hij de nadere voorwaarden moeten bepalen voor een passende bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden.

De wetgever zal meerdere nadere voorwaarden in aanmerking kunnen nemen aangaande de openbaarheid van de vonnissen, waaronder de integrale voorlezing van het vonnis, het voorlezen van enkel het dispositief mits een tekst op papier in de zittingszaal of op de griffie ter beschikking wordt gesteld zodra het vonnis wordt uitgesproken of gewezen, een dergelijke terbeschikkingstelling zonder dat het dispositief wordt voorgelezen (behoudens in strafzaken), of nog een gelijktijdige webpublicatie mits het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer passend in acht wordt genomen.

Ten slotte komt het erop aan te onderstrepen dat dit amendement beoogt de vaststelling van de nadere voorwaarden in handen te geven van de wetgever zelf. Dat belet echter niet dat de wetgever de Koning een beperkte uitvoeringsbevoegdheid verleent. Het Grondwettelijk Hof staat immers een delegatie van de wetgever aan de Koning toe in de bij de Grondwet aan de wet voorbehouden aangelegenheden, “voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld” Voetnoot 3 van het geciteerde advies: Zie meer bepaald punt B.3.2 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 173/2006 van 22 november 2006, alsmede de punten B.3.2 van arrest nr. 153/2010 van 22 december 2010 van datzelfde Hof. Zie in dit verband eveneens meer bepaald Y. Lejeune, Droit constitutionnel belge: fondements et institutions, Larcier, 2014 en Ph. Bouvier e.a., Eléments de droit administratif, Larcier, 2013.. Evenzo heeft de Raad van State, in zijn advies nr. 61 551/2 van 14 juni 2017, waarin wordt geciteerd uit twee in de algemene vergadering uitgebrachte adviezen (37 748/AV en 37 749/AV), aangegeven dat “[a]rtikel 22, eerste lid, van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald”. Bijgevolg is alleen de wetgever gemachtigd om de omvang te beperken van het recht op eerbiediging van het privéleven. Het is evenwel niet vereist dat alle bestanddelen van de voorgenomen regeling in de wet voorkomen; zelfs in aangelegenheden die volgens artikel 22 van de Grondwet alleen bij wet kunnen worden geregeld, zijn machtigingen aan de uitvoerende macht aanvaardbaar, voorzover de wetgever zelf de beginselen en de essentiële aspecten vaststelt van de regels die beperkingen bevatten op het recht op eerbiediging van het privéleven en voorzover de opdrachten van bevoegdheid verleend aan de Koning alleen de tenuitvoerlegging van de wet betreffen”.

Dit amendement sterkt derhalve tot een inperking van de werklast waarmee de magistraten worden geconfronteerd omdat ze verplicht zijn de vonnissen integraal in openbare terechtzitting voor te lezen, alsook tot het waarborgen van de openbaarheid van de vonnissen door het dispositief in een openbare terechtzitting te doen voorlezen wanneer het om een strafzaak gaat, of door de integrale tekst van het vonnis ter beschikking van het publiek te stellen zodra het vonnis wordt uitgesproken of gewezen."