Parlementaire voorbereiding

Voorstel tot herziening van 149 van de Grondwet wat de openbaarheid van de vonnissen en de arresten betreft,Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2628/001

Blz. 3 :

"TOELICHTING

In een democratische rechtsstaat staat de rechtspraak onder de controle van het publiek, en is hij dus openbaar, wat in 1831 door de grondwetgever werd bewerkstelligd met artikel 149 van de Grondwet, dat bepaalt dat vonnissen “in openbare terechtzitting uitgesproken” worden.

Sinds lang is vastgesteld dat de letterlijke toepassing van dit voorschrift, d.i. het mondeling verwoorden en dus praktisch gezien het voorlezen van het vonnis, voorbijgestreefd is. De tijd dat vonnissen uitsluitend onder de aandacht van het publiek werden gebracht door de journalisten van de “schrijvende pers” die de terechtzittingen waarop de uitspraken worden gedaan gingen bijwonen, is lang voorbij. Heden ten dage is het nut van die voorlezing zeer beperkt, zelfs onbestaande wanneer dat gebeurt voor een lege zittingszaal, zeker wanneer blijkt dat het nagestreefde doel even goed of zelfs beter kan worden bereikt met moderne technieken van massacommunicatie. Zo zou het bijvoorbeeld volstaan de voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte van het vonnis, op voorwaarde dat de integrale tekst voor het publiek in het algemeen toegankelijk wordt gemaakt onder elektronische vorm op de website van de betrokken instantie. Dit is overigens de techniek die van oudsher door het Grondwettelijk Hof wordt toegepast, ook toen art. 110 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof nog letterlijk bepaalde “Elk arrest wordt in openbare terechtzitting uitgesproken” (inmiddels vervangen bij de bijzondere wet van 4 april 2014).

In advies nr. 57 903/2 van 1 oktober 2015 bij het wetsvoorstel “tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen” kwam de afdeling wetgeving van de Raad van State echter tot de conclusie “dat ieder wetgevend initiatief dat […] principieel zou willen voorzien in een andere wijze van openbaarmaking van vonnissen en arresten van de hoven en rechtbanken dan de uitspraak ervan in openbare terechtzitting, vereist dat die voornoemde grondwettelijke bepaling, die thans voor herziening vatbaar is, vooraf wordt herzien. Hoe dan ook moet het minimumvereiste worden nageleefd dat is voorgeschreven bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt geïnterpreteerd; luidens dat vereiste houdt de openbaarheid van de vonnissen in dat het publiek onbeperkt toegang heeft tot de gewezen vonnissen en arresten.” (Stukken Kamer, 2014-15, nr. 54 0918/3, blz. 8).

Hierbij lijkt aan artikel 149 GW een nogal restrictieve lezing te worden gegeven, alhoewel het voorbeeld dat het Grondwettelijk Hof zelf heeft gegeven in de verf zet dat zich na meer dan 180 jaar een evolutieve interpretatie nodig is, zoals overigens ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent: “65. (…) la Cour relève que de nombreux États membres du Conseil de l’Europe connaissent de longue date, à côté de la lecture à haute voix, d’autres moyens de rendre publiques les décisions de leurs juridictions, par exemple, par un dépôt au greffe accessible au public. En l’espèce, à supposer que la décision litigieuse n’ait pas été rendue en audience publique, la Cour rappelle qu’elle a déjà jugé que le but poursuivi par l’article 6 § 1, à savoir assurer le contrôle du pouvoir judiciaire par le public, n’était pas moins bien réalisé par un dépôt au greffe que par la lecture en audience publique d’une décision (voir Pretto et autres c. Italie, arrêt du 8 décembre 1983, série A no 71, § 27; Axen c. Allemagne, arrêt du 8 décembre 1983, série A no 72, § 30 et Ernst et autres c. Belgique, no 33400/96, § 69, 15 juillet 2003).” (beslissing D.J. en A.-K. R. v. Roemenië van 20 oktober 2009). Maar dat neemt niet weg dat de preconstituante nu eenmaal artikel 149 voor herziening vatbaar heeft verklaard “om een lid toe te voegen volgens hetwelk de wet afwijkingen kan bepalen op de verplichte integrale voorlezing van vonnissen, door de rechter, in openbare zitting” (Belgisch Staatsblad, 28 april 2014, 35184).

Dat is dan ook de strekking van het voorstel: vervanging, in artikel 149, tweede zin, GW, van de uitspraak van het vonnis in openbare terechtzitting door het voorschrift dat het vonnis wordt “openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”. Op de openbare bekendmaking wordt dus niet toegegeven, maar de wetgever zal voortaan de nadere regels daarvan bepalen. De beginselen zal hij zelf voor zijn rekening nemen, en het is de bedoeling dat dat neerkomt op de integrale, maar na verloop van tijd geanonimiseerde bekendmaking online, met behoud van de mogelijkheid het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, ofwel wanneer de bekendmaking op het internet (nog) niet mogelijk is, ofwel, en in dat geval onverminderd publicatie op de website, wanneer de voorzitter van de zetel die de beslissing heeft gewezen van oordeel is dat die openbare uitspraak een meerwaarde biedt, bijvoorbeeld in zaken die de publieke opinie beroeren. Dit is overigens het actuele systeem van het Grondwettelijk Hof, waarvoor artikel 110 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, sedert zijn wijziging bij de bijzondere wet van 4 april 2014, niets méér bepaalt dan: “Tenzij de voorzitter beslist het arrest in openbare terechtzitting uit te spreken, geldt de bekendmaking ervan op de website van het Hof als uitspraak.” Anderzijds moeten de zeer evolutieve, louter technische modaliteiten van de publicatie, bijvoorbeeld op het internet, kunnen worden geregeld door de Koning, uiteraard binnen het kader van de wettelijke opdracht. Vandaar het gebruik van de notie “krachtens de wet”."

[…]

Blz. 6 :

"VOORSTEL

Enig artikel

De tweede zin van artikel 149 van de Grondwet wordt vervangen als volgt:

“Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”."