Wetshistoriek

Gewijzigd bij de grondwetsherziening van 22 april 2019 (BS 2 mei 2019).

Lees meer

Parlementaire voorbereiding

Parlementaire voorbereiding van de wijzigingen aangebracht bij de herziening van artikel 149 van de Grondwet van 22 april 2019

Voorstel tot herziening van 149 van de Grondwet wat de openbaarheid van de vonnissen en de arresten betreft,Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2628/001

Blz. 3 :

"TOELICHTING

In een democratische rechtsstaat staat de rechtspraak onder de controle van het publiek, en is hij dus openbaar, wat in 1831 door de grondwetgever werd bewerkstelligd met artikel 149 van de Grondwet, dat bepaalt dat vonnissen “in openbare terechtzitting uitgesproken” worden.

Sinds lang is vastgesteld dat de letterlijke toepassing van dit voorschrift, d.i. het mondeling verwoorden en dus praktisch gezien het voorlezen van het vonnis, voorbijgestreefd is. De tijd dat vonnissen uitsluitend onder de aandacht van het publiek werden gebracht door de journalisten van de “schrijvende pers” die de terechtzittingen waarop de uitspraken worden gedaan gingen bijwonen, is lang voorbij. Heden ten dage is het nut van die voorlezing zeer beperkt, zelfs onbestaande wanneer dat gebeurt voor een lege zittingszaal, zeker wanneer blijkt dat het nagestreefde doel even goed of zelfs beter kan worden bereikt met moderne technieken van massacommunicatie. Zo zou het bijvoorbeeld volstaan de voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte van het vonnis, op voorwaarde dat de integrale tekst voor het publiek in het algemeen toegankelijk wordt gemaakt onder elektronische vorm op de website van de betrokken instantie. Dit is overigens de techniek die van oudsher door het Grondwettelijk Hof wordt toegepast, ook toen art. 110 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof nog letterlijk bepaalde “Elk arrest wordt in openbare terechtzitting uitgesproken” (inmiddels vervangen bij de bijzondere wet van 4 april 2014).

In advies nr. 57 903/2 van 1 oktober 2015 bij het wetsvoorstel “tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen” kwam de afdeling wetgeving van de Raad van State echter tot de conclusie “dat ieder wetgevend initiatief dat […] principieel zou willen voorzien in een andere wijze van openbaarmaking van vonnissen en arresten van de hoven en rechtbanken dan de uitspraak ervan in openbare terechtzitting, vereist dat die voornoemde grondwettelijke bepaling, die thans voor herziening vatbaar is, vooraf wordt herzien. Hoe dan ook moet het minimumvereiste worden nageleefd dat is voorgeschreven bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt geïnterpreteerd; luidens dat vereiste houdt de openbaarheid van de vonnissen in dat het publiek onbeperkt toegang heeft tot de gewezen vonnissen en arresten.” (Stukken Kamer, 2014-15, nr. 54 0918/3, blz. 8).

Hierbij lijkt aan artikel 149 GW een nogal restrictieve lezing te worden gegeven, alhoewel het voorbeeld dat het Grondwettelijk Hof zelf heeft gegeven in de verf zet dat zich na meer dan 180 jaar een evolutieve interpretatie nodig is, zoals overigens ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent: “65. (…) la Cour relève que de nombreux États membres du Conseil de l’Europe connaissent de longue date, à côté de la lecture à haute voix, d’autres moyens de rendre publiques les décisions de leurs juridictions, par exemple, par un dépôt au greffe accessible au public. En l’espèce, à supposer que la décision litigieuse n’ait pas été rendue en audience publique, la Cour rappelle qu’elle a déjà jugé que le but poursuivi par l’article 6 § 1, à savoir assurer le contrôle du pouvoir judiciaire par le public, n’était pas moins bien réalisé par un dépôt au greffe que par la lecture en audience publique d’une décision (voir Pretto et autres c. Italie, arrêt du 8 décembre 1983, série A no 71, § 27; Axen c. Allemagne, arrêt du 8 décembre 1983, série A no 72, § 30 et Ernst et autres c. Belgique, no 33400/96, § 69, 15 juillet 2003).” (beslissing D.J. en A.-K. R. v. Roemenië van 20 oktober 2009). Maar dat neemt niet weg dat de preconstituante nu eenmaal artikel 149 voor herziening vatbaar heeft verklaard “om een lid toe te voegen volgens hetwelk de wet afwijkingen kan bepalen op de verplichte integrale voorlezing van vonnissen, door de rechter, in openbare zitting” (Belgisch Staatsblad, 28 april 2014, 35184).

Dat is dan ook de strekking van het voorstel: vervanging, in artikel 149, tweede zin, GW, van de uitspraak van het vonnis in openbare terechtzitting door het voorschrift dat het vonnis wordt “openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”. Op de openbare bekendmaking wordt dus niet toegegeven, maar de wetgever zal voortaan de nadere regels daarvan bepalen. De beginselen zal hij zelf voor zijn rekening nemen, en het is de bedoeling dat dat neerkomt op de integrale, maar na verloop van tijd geanonimiseerde bekendmaking online, met behoud van de mogelijkheid het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, ofwel wanneer de bekendmaking op het internet (nog) niet mogelijk is, ofwel, en in dat geval onverminderd publicatie op de website, wanneer de voorzitter van de zetel die de beslissing heeft gewezen van oordeel is dat die openbare uitspraak een meerwaarde biedt, bijvoorbeeld in zaken die de publieke opinie beroeren. Dit is overigens het actuele systeem van het Grondwettelijk Hof, waarvoor artikel 110 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, sedert zijn wijziging bij de bijzondere wet van 4 april 2014, niets méér bepaalt dan: “Tenzij de voorzitter beslist het arrest in openbare terechtzitting uit te spreken, geldt de bekendmaking ervan op de website van het Hof als uitspraak.” Anderzijds moeten de zeer evolutieve, louter technische modaliteiten van de publicatie, bijvoorbeeld op het internet, kunnen worden geregeld door de Koning, uiteraard binnen het kader van de wettelijke opdracht. Vandaar het gebruik van de notie “krachtens de wet”."

[…]

Blz. 6 :

"VOORSTEL

Enig artikel

De tweede zin van artikel 149 van de Grondwet wordt vervangen als volgt:

“Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”."

Lees meer

 Amendementen, Parl.St. Kamer 2017-2018, nr. 54-2628/006

Blz. 2 :

"Nr. 1 VAN DE HEREN BROTCORNE EN DELPÉRÉE c.s.

Enig artikel

In de ontworpen zin de volgende wijzigingen aanbrengen:

1° in de Franse tekst:

a) de woorden “est publié” vervangen door de woorden “est rendu public”;

b) de woorden “en vertu de” vervangen door het woord “par”;

2° in de Nederlandse tekst het woord “krachtens” vervangen door het woord “door”;

3° De ontworpen zin vervolledigen met een zin, luidende:

“In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte voorgelezen in een openbare zitting.”.

VERANTWOORDING

Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat het vonnis integraal in openbare terechtzitting wordt uitgesproken. Voor zowel de betrokken rechtzoekenden als het publiek kan die integrale voorlezing saai en niet echt belangrijk zijn. In veel gevallen creëert zij een nodeloze werkbelasting. De wetgever moet die vereiste kunnen terugschroeven wanneer zij geen echte meerwaarde heeft.

De openbaarheid van de vonnissen is niettemin fundamenteel en is verankerd in artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als bestanddeel van het recht op een eerlijk proces; dat artikel bepaalt in dat verband dat “het vonnis in het openbaar [moet] worden gewezen”.

Het Europees Hof voor de rechten van de mens interpreteert in zijn rechtspraak die bepaling niet langer letterlijk. Het huldigt nu het principe dat voor elk geval afzonderlijk de vorm van de openbaarheid van het vonnis waarin het interne recht van de betrokken Staat voorziet, moet worden afgewogen, meer bepaald in het licht van de specifieke kenmerken van de betrokken procedure en naargelang van het doel en de strekking van artikel 6, § 1 Voetnoot 1 van het geciteerde advies: Advies van de Raad van State nr. 57 903/1 van 16 september 2015 met betrekking tot wetsvoorstel DOC 54 0918/001 tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen. Parl. St., Kamer van volksvertegenwoordigers, zitting 2015-2016, DOC 54 0918/003 .

Het Hof van Cassatie van zijn kant had in zijn arrest van 29 november 2011 een opening gecreëerd voor nadere voorwaarden die afwijken van de integrale openbare voorlezing van de vonnissen. Het had immers voor recht gezegd dat de verplichting een vonnis in terechtzitting uit te spreken ertoe strekte het publiek kennis te doen nemen van de rechterlijke beslissingen en dat die doelstelling ook kan “worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing met in elk geval het beschikkend gedeelte, samen met het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de rechterlijke beslissing door verspreiding via andere publicatievormen zoals het internet” Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Ibid., advies van de Raad van State, blz. 7, alsook DOC 54 0918/001, blz. 4..

Dit amendement beoogt de bij de Grondwet opgelegde verplichting om het vonnis in alle aangelegenheden integraal voor te lezen terug te schroeven, maar tegelijk te waarborgen dat in strafzaken het dispositief in openbare terechtzitting wordt uitgesproken. Die waarborg komt bovenop de verplichting om het integrale vonnis openbaar te maken. Het feit dat voortaan wel nog het beschikkend gedeelte van het vonnis zou worden voorgelezen – zij het enkel in strafzaken – heeft drie redenen: ten eerste de partijen terdege inzicht verschaffen in de inhoud van het vonnis; voorts de rechter ertoe verplichten zijn verantwoordelijkheid voor zijn beslissing op zich te nemen in het bijzijn van het publiek en van de rechtzoekenden; en ten slotte het doen ingaan van de beroepstermijn, ingeval de persoon ter zitting aanwezig is.

Buiten die strafrechtelijke aangelegenheden beoogt het amendement de wetgever de mogelijkheid te bieden te voorzien in andere manieren om vonnissen te wijzen dan via een voorlezing in openbare terechtzitting of zelfs de ondertekening van de vonnissen in openbare terechtzitting. Wel zullen in de wet de nadere voorwaarden moeten worden opgenomen volgens welke de vonnissen zullen moeten worden gewezen.

Dit amendement beoogt er eveneens voor te zorgen dat die versoepelingen geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor het publiek om kennis te nemen van het volledige vonnis, zodra het in welke vorm ook is gewezen. Zo voorziet het in de openbare bekendmaking van het vonnis op het ogenblik van de uitspraak in strafzaken, dan wel wanneer het vonnis wordt gewezen in de overige zaken. Het amendement doet aldus geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het publiek om kennis te nemen van de integrale tekst van het vonnis op het ogenblik van de uitspraak, maar staat het minder stringente nadere voorwaarden toe dan de integrale voorlezing ervan.

Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat het vonnis openbaar bekendgemaakt (“rendu public”) wordt, veeleer dan bekendgemaakt” (“publié”); het recht van het publiek om kennis te nemen van de integrale tekst van het vonnis doet aldus geen afbreuk aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de rechtzoekenden. De bekendmaking van de vonnissen houdt immers in dat iedereen ze zonder tijdsbeperking kan raadplegen, en dat de erin vervatte gegevens automatisch kunnen worden verwerkt. Een dergelijke bekendmaking zou – althans in een aantal gevallen – ondenkbaar zijn zonder dat de erin vervatte gegevens eerst anoniem zijn gemaakt.

De bekendmaking is een van de vormen van openbaarheid van de vonnissen in de zin van dit amendement. Ingeval die bekendmaking door de wetgever in aanmerking wordt genomen, zal hij de nadere voorwaarden moeten bepalen voor een passende bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden.

De wetgever zal meerdere nadere voorwaarden in aanmerking kunnen nemen aangaande de openbaarheid van de vonnissen, waaronder de integrale voorlezing van het vonnis, het voorlezen van enkel het dispositief mits een tekst op papier in de zittingszaal of op de griffie ter beschikking wordt gesteld zodra het vonnis wordt uitgesproken of gewezen, een dergelijke terbeschikkingstelling zonder dat het dispositief wordt voorgelezen (behoudens in strafzaken), of nog een gelijktijdige webpublicatie mits het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer passend in acht wordt genomen.

Ten slotte komt het erop aan te onderstrepen dat dit amendement beoogt de vaststelling van de nadere voorwaarden in handen te geven van de wetgever zelf. Dat belet echter niet dat de wetgever de Koning een beperkte uitvoeringsbevoegdheid verleent. Het Grondwettelijk Hof staat immers een delegatie van de wetgever aan de Koning toe in de bij de Grondwet aan de wet voorbehouden aangelegenheden, “voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld” Voetnoot 3 van het geciteerde advies: Zie meer bepaald punt B.3.2 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 173/2006 van 22 november 2006, alsmede de punten B.3.2 van arrest nr. 153/2010 van 22 december 2010 van datzelfde Hof. Zie in dit verband eveneens meer bepaald Y. Lejeune, Droit constitutionnel belge: fondements et institutions, Larcier, 2014 en Ph. Bouvier e.a., Eléments de droit administratif, Larcier, 2013.. Evenzo heeft de Raad van State, in zijn advies nr. 61 551/2 van 14 juni 2017, waarin wordt geciteerd uit twee in de algemene vergadering uitgebrachte adviezen (37 748/AV en 37 749/AV), aangegeven dat “[a]rtikel 22, eerste lid, van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald”. Bijgevolg is alleen de wetgever gemachtigd om de omvang te beperken van het recht op eerbiediging van het privéleven. Het is evenwel niet vereist dat alle bestanddelen van de voorgenomen regeling in de wet voorkomen; zelfs in aangelegenheden die volgens artikel 22 van de Grondwet alleen bij wet kunnen worden geregeld, zijn machtigingen aan de uitvoerende macht aanvaardbaar, voorzover de wetgever zelf de beginselen en de essentiële aspecten vaststelt van de regels die beperkingen bevatten op het recht op eerbiediging van het privéleven en voorzover de opdrachten van bevoegdheid verleend aan de Koning alleen de tenuitvoerlegging van de wet betreffen”.

Dit amendement sterkt derhalve tot een inperking van de werklast waarmee de magistraten worden geconfronteerd omdat ze verplicht zijn de vonnissen integraal in openbare terechtzitting voor te lezen, alsook tot het waarborgen van de openbaarheid van de vonnissen door het dispositief in een openbare terechtzitting te doen voorlezen wanneer het om een strafzaak gaat, of door de integrale tekst van het vonnis ter beschikking van het publiek te stellen zodra het vonnis wordt uitgesproken of gewezen."

Lees meer

Verslag namens de commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen, Parl. St. Kamer 2018-2019, nr. 54-2628/009

Blz. 3 :

[...]

"II. — INLEIDENDE UITEENZETTING

De heer Servais Verherstraeten (CD&V), hoofdindiener van het voorstel, geeft aan dat het voorlezen van een vonnis in de zittingszaal voorbijgestreefd is. Het zou nuttiger zijn de voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte van het vonnis, op voorwaarde dat de integrale tekst in elektronische vorm op de website van de betrokken instantie voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt. Om die en andere wijzen van bekendmaking mogelijk te maken, strekt dit voorstel ertoe in de Grondwet op te nemen dat de bekendmaking voortaan plaatsvindt op de wijze die de wetgever bepaalt.

III. — BESPREKING EN STEMMINGEN

Enig artikel

Het enig artikel strekt ertoe de tweede zin van artikel 149 van de Grondwet te vervangen door wat volgt:

“Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”.

De heer Christian Brotcorne en de heer Francis Delpérée c.s. dienen amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) in, dat ertoe strekt de volgende wijzigingen aan te brengen:

1° in de Franse tekst:

a) de woorden “est publié” vervangen door de woorden “est rendu public”;

b) de woorden “en vertu de” vervangen door het woord “par”;

2° in de Nederlandse tekst het woord “krachtens” vervangen door het woord “door”;

3° de ontworpen zin vervolledigen met een zin, luidende:

“In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte voorgelezen in een openbare zitting.”.

Er wordt verwezen naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

De heer Servais Verherstraeten (CD&V) geeft aan dat hij het amendement uiteraard steunt. Voorts verwijst de spreker naar wetsvoorstel DOC 54 3489/001 van mevrouw Onkelinx c.s., dat in samenhang met het voorliggende voorstel moet worden gelezen. Met dat wetsvoorstel wordt immers ingegaan op bepaalde tijdens de hoorzittingen geformuleerde opmerkingen, in het bijzonder met betrekking tot het Hof van Cassatie en betreffende de waarborgen aangaande de inachtneming van de persoonlijke levenssfeer van de partijen.

Mevrouw Laurette Onkelinx (PS) bevestigt dat de commissie voor de Justitie dat wetsvoorstel binnenkort zal bespreken. Amendement nr. 1 alsmede het aldus gewijzigde enig artikel worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.

[…]

IV. — BIJLAGE – HOORZITTING VAN 4 JULI 2018

Hoorzitting met:

— De heer Sébastien Van Drooghenbroeck, hoogleraar aan de Université Saint-Louis Bruxelles;

— De heer Patrick Peeters, hoogleraar aan de KU Leuven;

— De heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain;

— De heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège en aan de KU Leuven.

A. Uiteenzettingen

De heer Sébastien Van Drooghenbroeck, hoogleraar aan de Université Saint-Louis Bruxelles, brengt in herinnering dat, volgens de traditionele interpretatie van artikel 149 van de Grondwet, ongewijzigd gebleven sinds 1831, de beslissingen van de vonnisgerechten van de rechterlijke orde verplicht worden voorgelezen tijdens een openbare terechtzitting.

Dit is een absolute verplichting – ze slaat op “elk vonnis”, zonder uitzondering – maar volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof is ze alleen van toepassing op de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, en daarentegen niet op de administratieve rechtbanken, het Grondwettelijk Hof of de tuchtrechtbanken van de beroepsordes. Voor die “buitengerechtelijke” rechtsinstanties vloeit de openbaarheid van de uitspraak niet voort uit de Grondwet, maar alleen uit de wettekst waarbij ze worden ingesteld of, in voorkomend geval, uit de erkende rechtstreekse gevolgen in België van de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Deze interpretatie is uiteraard onderhevig aan evolutie, zoals wordt geïllustreerd door het arrest van het Hof van Cassatie van 29 november 2011, in de zaak Lernout & Hauspie. In dat arrest geeft het Hof aan dat artikel 149 van de Grondwet ertoe strekt een voor het publiek toegankelijk toezicht op de rechterlijke beslissingen mogelijk te maken. Die doelstelling vereist in de regel de integrale voorlezing op de openbare terechtzitting van zowel de motieven als het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing. Het Hof stelt echter dat deze doelstelling ook kan worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing, in elk geval het beschikkend gedeelte, en door het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de integrale rechterlijke beslissing.

Een dergelijke evolutieve interpretatie heeft echter beperkingen. Het beginsel van het integraal voorlezen blijft overeind: in het advies uitgebracht over het wetsvoorstel tot soepeler toepassing van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissingen (Parl. St. Kamer, DOC 54 0918/003) was de Raad van State van oordeel dat indien wordt overwogen om, algemeen en abstract beschouwd, het hardop voorlezen slechts voor te behouden aan het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing, een voorafgaande grondwettelijke herziening van artikel 149 – thans voor herziening vatbaar – nodig is.

Het loutere feit dat dit artikel voor herziening vatbaar is, geeft aan dat de Preconstituante zich tot op zekere hoogte kan vinden in de traditionele interpretatie van artikel 149, zodat slechts via een herziening van dit artikel kan worden afgeweken van het beginsel van de integrale voorlezing tijdens een openbare terechtzitting.

Aangezien artikel 149 van de Grondwet voor herziening vatbaar werd verklaard, is de grondwettelijke belemmering overkomelijk.

Er kunnen dus vraagtekens worden geplaatst bij de reikwijdte van een mogelijke herziening van dit artikel. Daar artikel 149 van de Grondwet is ingevoegd in hoofdstuk 6 van titel III van de Grondwet, gewijd aan de rechterlijke macht, zou de herziening, zoals opgevat door de ter bespreking voorliggende tekst, alleen de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde betreffen, met uitzondering van de andere rechtsmachten (waaronder het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, maar ook de administratieve rechtbanken, opgericht door de gemeenschappen en de gewesten op grond van hun impliciete bevoegdheden). Het zou echter verkieslijk zijn om een stap verder te gaan en een eenvormige openbaarheid voor de gezamenlijke rechtsmachten te overwegen, alsook, in ons grondwettelijk recht, af te stappen van de versnipperde tot zelfs incoherente aanpak inzake het recht op een eerlijk proces dat vandaag uit “stukken en brokken” bestaat.

De spreker benadrukt dat deze bekommering geenszins louter esthetisch is; uiteenlopende rechtsstelsels inzake het recht op een eerlijk proces die naast elkaar bestaan, leiden tot echte moeilijkheden: die grote variaties in het recht op een eerlijk proces in België vallen moeilijk te verantwoorden voor de internationale rechter. De openbaarheid van de rechterlijke uitspraken is een delicate evenwichtsoefening tussen de transparantie van justitie en de privacybescherming van de betrokkenen. Hoe valt te verantwoorden dat het bereikte evenwichtspunt verschilt naargelang van de Belgische rechtbank waar men mee te maken heeft? Om die reden pleit de spreker voor een eenvormig geheel van bepalingen, van toepassing op alle geschillen.

Internationaalrechtelijk vormt artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden de hoeksteen in deze aangelegenheid. Aangaande het “vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen” bepaalt dat artikel het volgende: “De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen”.

De overvloedige rechtspraak van het Hof verduidelijkt welke interpretatie aan deze bepaling moet worden gegeven. Het Hof hoedt zich voor een formalistische en letterlijke lezing en eist daarom niet dat de uitspraken luidop worden voorgelezen.

Het Hof ziet er echter op toe dat de met de bekendmaking van de vonnissen nagestreefde doelstelling, namelijk de controle op de rechterlijk activiteit, kan worden bereikt in de loop van de procedure opgevat als een geheel, en het beoordeelt in het licht van die doelstelling in elk afzonderlijk geval de in het nationale recht vastgestelde vormen van bekendmaking (zie EHRM 17 januari 2008, arrest Ryakib Biryoutov vs. Rusland).

Hoewel de tekst van artikel 6 geen uitzondering op de openbaarmaking van de uitspraak toestaat, heeft het Hof impliciet dergelijke beperkingen toegestaan in bepaalde uitzonderlijke situaties, anders dan met de openbaarheid van de terechtzittingen. In het arrest B. en P. vs. het Verenigd Koninkrijk heeft het Hof de absolutistische, letterlijke interpretatie van artikel 6 verworpen en geconcludeerd dat het Verdrag niet onvoorwaardelijk vereiste dat de vonnissen, die in dit geval betrekking hadden op het toezicht op de kinderen, ter beschikking van het grote publiek moesten worden gesteld; de reden was dat men anders de beslotenheid van de terechtzitting, die in de loop van de hele procedure was opgelegd, zou uithollen.

Hoewel op deze beslissing kritiek is geuit (zie het afwijkend standpunt van rechter Françoise Tulkens), vindt de spreker dat ze verantwoord kan zijn in naam van de noodzakelijke samenhang en de leer van de “systeembeperkingen”: woordelijk niet beperkbare rechten kunnen toch worden beperkt wanneer ze ingaan tegen andere rechten die uit hetzelfde instrument voortvloeien – in dit geval het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.

In advies nr. 44.203/2 over een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 757 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende het sluiten der deuren in familiezaken (Parl. St., Senaat, 4-295/2), is de Raad van State op basis van dezelfde leer van de systeembeperkingen tot de conclusie gekomen dat artikel 149 van de Grondwet ruimte laat voor een uitzondering op het beginsel van het stelselmatig uitspreken van de beslissingen tijdens de openbare terechtzitting, met name wegens het recht op eerbiediging van het privéleven.

De bekendmaking van de rechterlijke beslissingen vereist een afweging tussen moeilijk met elkaar te verzoenen rechten en belangen:

— de rechten van de rechtzoekenden;

— het recht van het publiek en het openbaar belang om toegang te krijgen tot gerechtelijke beslissingen, aangezien de rechtspraak een officiële rechtsbron is;

— de bescherming van het privéleven van de personen die op een of andere grond bij een gerechtelijke beslissing betrokken zijn (partijen, getuigen, derden).

Wat de laatste belangencategorie betreft, wordt het zoeken naar een evenwicht almaar delicater, als gevolg van de toenemende digitalisering van de gerechtelijke beslissingen, de voortdurende verbetering van de zoekinstrumenten (online of in de databanken) en de toegenomen bezorgdheid over de bescherming van het privéleven, die nog prangender is geworden sinds de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

In arrest C.C. vs. Spanje van 6 oktober 2009 werd de verwerende Staat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld, omdat men had nagelaten een gerechtelijke beslissing te anonimiseren waarbij melding werd gemaakt van de seropositiviteit van de eiser. In hetzelfde arrest wordt gesteld dat het evenwicht tussen de belangen van het publiek en dat van de rechtzoekende perfect had kunnen worden bereikt, zelfs buiten de anonimisering om, door een beperking van het recht van het publiek op kennisname van de bestreden beslissing.

Hoe kan men dan de a priori tegenstrijdige eisen inzake transparantie van het gerecht (en van toegang tot de rechterlijke beslissingen) en inzake bescherming van de gegevens met elkaar verzoenen?

Een oplossing voor deze op het eerste gezicht tegenstrijdige eisen is het anonimiseren van de beslissingen (zie het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering, wat de bekendmaking van vonnissen en arresten betreft, DOC 54 3489/001).

Hoe eenvoudig dat beginsel ook lijkt, makkelijk toe te passen is het niet: in hoeverre kan men de beslissingen anonimiseren zonder ze onbegrijpelijk te maken? Hoe kan men zich beveiligen tegen de technologische ontwikkelingen die het mogelijk maken de anonimiteit te omzeilen?

Het rapport “L’open data des décisions de justice”, het zogenaamde rapport-Cadiet, dat op 9 januari 2017 aan de Franse minister van Justitie werd overhandigd, illustreert perfect die bedenkingen: “L’anonymisation d’une décision de justice suppose donc de garantir, au regard des moyens susceptibles d’être employé s – en l’é tat actuel des technologies mais, surtout, en tenant compte des perspectives technologiques futures – que les personnes concerné es par les décisions ne soient plus susceptibles d’être identifié es directement ou indirectement, selon un processus qui empêche cette identification de manière irréversible. Or, l’application de ces règles aux décisions de justice montre qu’il est quasiment impossible de satisfaire à ces conditions, sauf à retirer de la décision l’essentiel de son contenu et à porter atteinte à son intelligibilité et à sa motivation, exigences fondamentales du droit à un procès équitable. Les décisions de justice sont en effet des documents comportant des éléments de texte très construits. Elles contiennent un nombre très important de données réidentifiantes, particulièrement au sein de la motivation de la décision, qui comprend de nombreux éléments de contexte pouvant conduire, notamment par des croisements avec d’autres bases de donné es, à une ré identification des personnes.”.

Voor de heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain, vormt artikel 149 van de Grondwet het voorbeeld bij uitstek van een bepaling die een belang nastreeft dat sinds 1831 niet aan democratische legitimiteit heeft ingeboet (“het toezicht van de burger op het gerecht”) maar dat voorbijgestreefd is door de technologische evolutie. Voorts staat de absolute formulering van de bepaling geen uitzonderingen toe op de toepassing ervan, behalve via een interpretatie die spoort met de fundamentele waarborgen.

De spreker wijst erop dat de verklaring tot herziening van artikel 149 van de Grondwet, die werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2014, een motief bevat dat niet bindend is voor de Grondwetgever. Die is immers vrij de strekking van die grondwetsbepaling te wijzigen zonder zich te moeten beperken tot de door de Preconstituante beoogde doelstelling (“afwijkingen (…) voorzien op de verplichte integrale voorlezing (…) in openbare zitting”).

 Bijgevolg rijzen verschillende vragen:

1° Moet de bepaling inzake de bekendmaking van de vonnissen, ongeacht de inhoud, uit de tekst van de Grondwet worden gehaald en bijvoorbeeld in het Gerechtelijk Wetboek worden opgenomen?

Er dient op te worden gewezen dat verschillende Europese Staten dit aspect via een wettekst hebben geregeld. Dit is bijvoorbeeld het geval in Duitsland, maar niet in Nederland, Zwitserland en België. De spreker is van oordeel dat, aangezien het een fundamenteel recht betreft, de essentiële aspecten ervan in de Grondwet zelf moeten worden vastgelegd;

2° Indien de bepaling die dit beginsel huldigt in de tekst van de Grondwet behouden blijft, welke inhoud moet die dan hebben? En hoe worden de nadere regels ervan bepaald? Moeten die worden opgenomen in de Grondwet zelf of kan dit aspect aan de wetgever of zelfs aan de Koning worden toevertrouwd (wat dit voorstel tot herziening ook lijkt te beogen: “krachtens de wet” betekent immers niet hetzelfde als “bij de wet”)?

Indien de eventuele nadere regels van het herziene artikel 149 aan het oordeel van de wetgever worden overgelaten, moet de grondwettigheid van de wet waarin die regels worden vastgelegd zorgvuldig worden getoetst. Indien artikel 149 van de Grondwet geen deel uitmaakt van de grondwettelijke normen waaraan het Grondwettelijk Hof de grondwettigheid toetst, kan die toetsing niettemin worden uitgevoerd via andere grondwettelijke bepalingen waarvan het Grondwettelijk Hof de naleving waarborgt: alle fundamentele rechten en vrijheden die worden gewaarborgd bij titel II van de Grondwet (artikelen 8 tot 32), alsook de Grondwetsartikelen 143, § 1, (het beginsel van federale loyauteit), 170 (het legaliteitsbeginsel inzake belastingen) , 172 (het gelijkheidsbeginsel in fiscale aangelegenheden) en 191 (bescherming van vreemdelingen). De nadere regels inzake de openbaarheid en de bekendmaking van rechterlijke beslissingen zullen, indien ze bij wet zijn vastgelegd, bij het Grondwettelijk Hof of via een andere weg kunnen worden betwist, bijvoorbeeld deze via artikel 22 van de Grondwet (recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer).

3° In welke regels inzake de bekendmaking van rechterlijke beslissingen moet worden voorzien?

Er dient op te worden gewezen dat de hoven en rechtbanken ondanks de strikte formulering van artikel 149 van de Grondwet ook nu al bepaalde nadere regels toepassen in de marge van de tekst van de Grondwet; het ware dan ook verstandig de meest redelijke praktijken in de tekst op te nemen, alsook de praktijken die het best te verantwoorden zijn in het licht van de teleologische interpretatie van de Grondwet (“het toezicht van de burger op het gerecht”).

Er zou een stap verder kunnen worden gezet door te voorzien in regels inzake de (elektronische) bekendmaking van de rechterlijke beslissingen, maar dan rijzen meteen vragen over de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en over de keuzes die moeten worden gemaakt aangaande de verwerking van informatie op naam en van andere persoonlijke gegevens: het bekendmaken van de naam en de voornaam van de partijen in het geding valt kennelijk niet te verantwoorden in het licht van een algemene openbaarheid van de rechterlijke beslissingen; openbaarmaking om het citeren te vergemakkelijken vormt uiteraard geen legitiem doel.

De overblijvende opties zijn de anonimisering (die beoogt om volstrekt en onomkeerbaar alles te voorkomen wat kan bijdragen tot de identificatie van een persoon) – maar daarbij rijzen problemen op het vlak van de bevattelijkheid van de beslissingen – en de pseudoanonimisering (een werkwijze waarbij wordt beoogd dat het niet mogelijk is iemand te herkennen zonder toegang tot bijkomende informatie). De pseudo-anonimisering kan systematisch of geval per geval (cf. de thans door het Belgisch Grondwettelijk Hof gebezigde praktijk) worden toegepast, maar men moet nagaan of die werkwijze altijd relevant zal zijn, in het bijzonder wegens de technologische evolutie.

Het debat aangaande de pseudo-anonimisering van de gerechtelijke beslissingen was de jongste jaren heel intens; er kan, wat België betreft, met name worden verwezen naar de aanbeveling vanwege de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uit 2012, waarin wordt gesteld dat bij de bekendmaking van de gerechtelijke beslissingen de pseudo-anonimisering moet worden opgelegd; wat Frankrijk betreft, moet het voormelde rapport-Cadiet worden vermeld; op het niveau van de Europese Unie moet dan weer met Verordening 2016/679 (“AVG”) rekening worden gehouden.

De Grondwetgever zou het beginsel van de pseudoanonimisering van de elektronisch bekendgemaakte rechterlijke beslissingen (op het internet) moeten opleggen en minstens moeten vereisen dat de wezenlijke aspecten van de bekendmaking met betrekking tot rechtszaken worden vastgelegd door de wetgever. Ter zake lijkt, zoals hoger aangegeven, het voorstel tot herziening een stap te ver te gaan.

Met dit handvol beschouwingen is het debat aangaande de pseudo-anonimisering niet rond; er moet ook op worden gewezen dat de onlinebekendmaking risico’s inhoudt met betrekking tot het recht om te worden vergeten (het is heel goed mogelijk dat de online gezette rechterlijke uitspraak ad vitam aeternam online blijft staan, hetgeen problematisch is); tevens bestaat het risico dat de huidige en toekomstige profileringstechnieken niet sluitend zijn (hoe worden de rechters- en advocatenprofielen opgemaakt: per behandelde materie of naargelang van de trend van de uitspraken waarbij ze zijn betrokken?).

4° Moet worden voorzien in algemene uitzonderingen op de huidige regel? Indien dat het geval is, moeten die in artikel 149 zelf worden vermeld; toch zou dat niet betekenen dat tegen België op basis van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen procedure zou kunnen worden ingesteld.

5° Moet het verplicht blijven om in openbare zitting bepaalde uitspraken integraal voor te lezen, bijvoorbeeld in strafzaken? Vanuit bepaalde beschouwingen in verband met criminologie en strafrecht wordt hiervoor gepleit en wordt de preventieve aard van een dergelijke maatregel benadrukt, maar men moet ook rekening houden met het mogelijk stigmatiserend effect van een openbare voorlezing.

De heer Patrick Peeters, hoogleraar aan de KU Leuven, licht toe dat om historische redenen artikel 149 in de loop van de tijd op verschillende wijzen is uitgelegd; aanvankelijk echter was de voornaamste bekommering bij de interpretatie van het grondwettelijk voorschrift de bescherming tegen willekeur.

Artikel 149 beschermt immers drie heel belangrijke waarden:

— via deze bepaling wordt het gerecht democratisch gecontroleerd, wat niet alleen - en zelfs niet in de eerste plaats - van belang is voor de partijen in het geding; het betreft hier een waarborg die de samenleving ten goede komt;

— door de transparantie van het gerecht te verzekeren, schept men vertrouwen in het gerecht als instantie;

— tot slot vervult de transparantie een cruciale rol bij de verspreiding van de inhoud van de gerechtelijke uitspraken en bewerkstelligt ze aldus de rol van het gerecht inzake de opbouw van rechtspraak.

Moeten vandaag de vonnissen en arresten nog integraal worden voorgelezen? Wat moet er gebeuren als het vonnis 2 000 bladzijden telt, zoals dat het geval was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van Cassatie van 29 november 2011? Is het geen tijd om de traditionele uitlegging van artikel 149 van de Grondwet te herzien, teneinde ten minste de verplichting tot openbare voorlezing te beperken tot het beschikkend gedeelte en de middelen die er noodzakelijk aan ten grondslag liggen?

De spreker meent dat het voorstel tot herziening terecht het vraagstuk van de bekendmaking van de vonnissen en arresten aansnijdt. In het tijdperk van de juridische gegevensbanken is een dergelijke update meer dan relevant.

Voormeld wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft, beoogt in strafzaken de voorlezing tot het beschikkend gedeelte van de uitspraak te beperken. Die beperking roept vragen op. Waarom zou, in het bijzonder in strafzaken, niet worden bepaald dat de voorlezing van het dictum het minimum vormt? Zulks zou een aansporing kunnen zijn om over te gaan tot een volledige voorlezing van de uitspraak wanneer dat aangewezen lijkt.

Tevens rijst de vraag waarom in datzelfde wetsvoorstel artikel 1109 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de procedure bij het Hof van Cassatie betreft, wordt weggelaten. Houdt zulks in dat alleen nog het Hof van Cassatie zijn arresten integraal zou moeten voorlezen, of gaat het om een vergetelheid? De spreker pleit ervoor in de grondwettelijke voorschriften de minimumvereisten inzake voorlezing en openbaarheid te bepalen, waarbij tevens de mogelijkheid wordt geboden in de praktijk te voorzien in een uitgebreider voorlezing of in een ruimere openbaarheid, naargelang van de omstandigheden. Tevens meent hij dat de grondwettelijke voorschriften een normerende dimensie moeten behouden en dat zij uitzonderingen alleen mogen toestaan in de wettelijk bepaalde gevallen en omstandigheden, naar analogie met artikel 22 van de Grondwet.

Voorts mag niet worden vergeten dat de Grondwet thans, overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, moet worden gelezen in samenhang met andere bepalingen, in dit geval met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Tot slot kan de spreker zich vinden in de uiteenzetting van de vorige spreker inzake de bedoeling die de Preconstituante in de verklaring tot herziening heeft aangegeven. Volgens een vaste rechtsleer inzake grondwetsherzieningen is de Grondwetgever niet door deze doelstelling gebonden.

De heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège en aan de KU Leuven, bevestigt dat artikel 149 van de Grondwet voor volledige herziening vatbaar is verklaard, waarbij de Grondwetgever niet gebonden is door de door de Preconstituante aangegeven doelstellingen en beperkingen.

Zelfs in de landen (Duitsland bijvoorbeeld) die de regel inzake de openbaarheid van de rechterlijke beslissingen niet in de Grondwet hebben opgenomen, werd deze regel niettemin op grote schaal opgenomen in de constitutionele rechtspraak, gezien het belang ervan in een rechtsstaat.

De uitspraak van het vonnis in openbare rechtszitting heeft ingrijpende praktische gevolgen: vanaf de voorlezing wordt de zaak aan de rechter onttrokken en gaat de termijn in waarbinnen bepaalde vormen van hoger beroep kunnen worden ingesteld. Zoals eerder aangegeven, heeft de openbaarheid van de rechterlijke beslissingen niet louter betrekking op de partijen in het geding: alle burgers zijn potentiële belanghebbenden en moeten in kennis worden gesteld van de wijze waarop de hoven en rechtbanken het recht interpreteren en ten uitvoer leggen (totstandkoming van de rechtspraak); tevens moeten zij inzicht kunnen verwerven in de werking van het gerechtelijk apparaat. De Staat moet alle burgers informeren over de wijze waarop hij het alleenrecht over de wettelijke gewelduitoefening hanteert.

Dit voorstel tot herziening strekt ertoe te bepalen dat elk vonnis openbaar bekend wordt gemaakt “op de wijze bepaald krachtens de wet”. Deze formulering maakt het mogelijk de machtiging té ruim op te vatten; ze wijkt met name af van het bepaalde in artikel 22 van de Grondwet, dat het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven waarborgt. Een dergelijke ruime machtiging waarbij met name de Koning bepaalde nadere regels inzake bekendmaking zou kunnen vaststellen, is niet gerechtvaardigd op grond van de interne samenhang van de Grondwet, noch ten aanzien van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) strekt ertoe dat aspect recht te zetten, door in de Franse tekst de woorden “en vertu de” te vervangen door het woord “par”.

Volgens de spreker mag de openbare voorlezing van het beschikkend gedeelte niet worden beperkt tot louter de strafrechtelijke beslissingen; hij wijst erop dat de voorlezing in openbare rechtszitting een vaste dagtekening aan de rechterlijke beslissing toekent. Zo in strafzaken alleen het beschikkend gedeelte van de beslissing wordt voorgelezen, moet de rechtzoekende hoe dan ook onmiddellijk toegang worden verleend tot het niet-voorgelezen gedeelte van de beslissing, aangezien zulks een invloed heeft op zijn beroepsmogelijkheden.

Met betrekking tot de justitiële databanken zij opgemerkt dat het principe ervan veel vragen opwerpt en dat ze ingrijpende praktische gevolgen hebben. De vraag rijst of álle beslissingen in een elektronisch bestand moeten worden opgenomen. Quid met de bewaringstermijn? Wat zijn de gevolgen indien deze bestanden ad vitam aeternam zouden worden bewaard? Vanaf wanneer zouden de rechterlijke beslissingen moeten worden gewist? Zou een dergelijke wissing hoe dan ook geen maat voor niets zijn wanneer databanken door derden worden aangelegd in het kader van bekendmakingen die de overheid heeft geregeld of waartoe ze een machtiging heeft verleend? Ingeval een databank overgaat tot een automatische wissing van beslissingen, kunnen partijen dan, om bijzondere persoonlijke redenen, vragen dat een beslissing die op hen betrekking heeft, vroeger wordt gewist? En, omgekeerd, zijn er beslissingen die omwille van hun belang voor de rechtspraak, nooit zullen worden gewist?

Met betrekking tot de (bijna volledige) anonimisering van de rechterlijke beslissingen is het belangrijk erop te wijzen dat elkeen, ongeacht of hij/zij al dan niet bekend is, het recht heeft niet te kijk te worden gezet. In hun bijdrage aan het onderzoek naar de robotisering van het gerecht geven Jean-Pierre Buyle en Adrien Van den Branden aan dat de ontwikkeling van de opslag- en de profileringstechnieken de efficiëntie van de anonimiseringstechnieken ter discussie stelt. Bepaalde gespecialiseerde ondernemingen bieden immers nu al programma’s aan om profileringstechnieken op rechtzoekenden toe te passen; het is wachten op het gebruik van deze programma’s door de magistraten en de advocaten, zoals dat in Frankrijk gaandeweg het geval is.

B. Gedachtewisseling

De heer Francis Delpérée (cdH) herinnert aan de consensus die bestaat omtrent de herziening van het in artikel 149 van de Grondwet vervatte algemene raamwerk inzake de openbaarheid van de vonnissen. Vandaag lijkt de in die bepaling vervatte verplichting achterhaald. De vraag is welke richting het uit moet en vervolgens hoe een en ander kan worden bewerkstelligd; kan alles, zoals de indieners van het voorstel tot herziening van de Grondwet suggereren, aan de wetgever of zelfs de Koning worden gedelegeerd (cf. de bewoordingen “openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald krachtens de wet”)?

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) merkt op dat de sprekers wel degelijk duidelijk hebben gewezen op bepaalde absurde elementen in de besproken teksten. Daarbij gaat het dan vooral om de in de voorgestelde tekst opgenomen, te ruime delegatie voor de herziening van artikel 149 (cf. “krachtens de wet”). Inmiddels schijnen de indieners van het voorstel zelf zich daarvan bewust te zijn geworden, aangezien amendement nr. 1 (DOC 54 2628/006) met name dat punt beoogt te corrigeren.

De grondwettigheidscontrole is ook aan bod gekomen: in hoeverre zal het Grondwettelijk Hof zijn controle kunnen uitoefenen op artikel 149, in de nieuwe redactie ervan, en op de wet die aan dat artikel uitvoering geeft? Zal het Hof noodzakelijkerwijs ageren via het beginsel van gelijkheid en van non-discriminatie, of zijn er andere “constructies” mogelijk (bijvoorbeeld op grond van artikel 22 van de Grondwet)? Zou niet moeten worden overwogen de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof te wijzigen, teneinde de grondwettigheidstoetsing uit te breiden en er artikel 149 van de Grondwet in op te nemen?

In verband met de anonimisering of de pseudonimisering somt de spreker een aantal alternatieve denksporen op die ertoe strekken de anonimiteit van de partijen op lange termijn te waarborgen: moet niet aan anonimisering worden gedacht van bij de redactie van het vonnis? Zou niet moeten worden gezorgd voor een geanonimiseerde versie van het vonnis die van de voorgelezen integrale versie verschilt?

Niettemin is het mogelijk dat geen enkele van die oplossingen volledig soelaas brengt.

De spreker neemt nota van de opmerking dat in het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van strafvordering, wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft, voorbij is gegaan aan artikel 1109 van het Gerechtelijk Wetboek.

Mocht, ten slotte, in de toekomst in de openbare terechtzitting alleen het bepalend gedeelte van de beslissing worden voorgelezen, dan acht de spreker het wenselijk dat de partijen niettemin onmiddellijk de integrale beslissing meegedeeld krijgen. Zoals al is gesteld, is het immers niet alleen zaak dat de betrokkenen behoorlijk kunnen nagaan of het wenselijk is eventueel beroep in te stellen, maar is het ook de bedoeling een correcte onderlinge informatieverstrekking tussen de advocaat en diens cliënt mogelijk te maken.

De heer Marc Verdussen, hoogleraar aan de Université catholique de Louvain, antwoordt op de vraag van de vorige spreker over de eventuele opneming van artikel 149 in de grondwettigheidstoetsing. Mocht het tot die opneming komen, dan acht hij het wenselijk dat artikel 149 nauwkeuriger de in acht te nemen nadere regels aangeeft.

De bescherming van het privéleven en de inachtneming van de teksten – zoals de AVG – die daartoe strekken, vormen in dezen slechts een zeer gering probleem indien men zich tijdens de openbare terechtzitting beperkt tot de (integrale of beperkte) voorlezing (bijvoorbeeld van het dispositief). De kwestie rijst alleen (maar dan wel écht acuut) wanneer een elektronische bekendmaking wordt overwogen. In dat geval heeft men met gegevensverwerking te maken en is de AVG toepasselijk; de anonimisering of de pseudonimisering zullen in het licht van de profileringstechnieken niet alle moeilijkheden regelen. Er bestaat een reëel risico op schending van de persoonlijke levenssfeer.

Volgens de heer Christian Behrendt, hoogleraar aan de Université de Liège, mag de bewaring van rechterlijke beslissingen in de gegevensbanken niet lijken op een bijkomende straf, die bovendien weleens op levenslang zou kunnen neerkomen. Indien de voorlezing van een beslissing tijdens de openbare terechtzitting mogelijkerwijs een onmiddellijk stigmatiserend effect heeft voor de betrokken rechtzoekende, dan zal dat effect nooit slechts tijdelijk zijn. A contrario houdt de levenslange bewaring van de beslissing in een gegevensbank het risico in dat de rechtzoekende elke dag de indruk heeft met een nieuwe uitspraak te worden geconfronteerd.

Er moet weliswaar nog worden gepreciseerd welke exacte afbakening moet worden gegeven aan de verplichting om de rechterlijke beslissingen te anonimiseren, maar nu al is het voorspelbaar dat er moeilijkheden kunnen rijzen."

Lees meer

Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, Parl. St. Kamer 2018-2019, nr. 54-2628/011

blz. 3 :

"Enig artikel

In artikel 149 van de Grondwet wordt de tweede zin vervangen als volgt:

“Het wordt openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald door de wet. In strafzaken wordt het beschikkend gedeelte uitgesproken in openbare terechtzitting.”."

Lees meer

Verslag namens de Senaatscommissie voor de Institutionele Aangelegenheden, Parl. St. Senaat 2018-2019, nr. 6-486/2

Blz. 2 :

"I. INLEIDENDE UITEENZETTING VA N DE HEER KOEN GEENS, MINISTER VAN JUSTITIE

Het voorliggende ontwerp tot herziening van de Grondwet betreft artikel 149, dat vandaag als volgt luidt : « Elk vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken. »

Dit artikel betreft een van de « checks-and-balances » van ons staatsrechtelijk bestel : onze rechtspraak staat onder de controle van het publiek. Aldus heeft de grondwetgever in 1831, teneinde te verzekeren dat de rechtspraak openbaar zou zijn, bepaald dat vonnissen « in openbare terechtzitting uitgesproken » worden.

Tegenwoordig is het nut van die lezing heel beperkt en het doel dat in artikel 149 wordt nagestreefd, kan net zo goed, of zelfs beter, worden bereikt door middel van moderne technieken van massacommunicatie.

Dat is dan ook de teneur van onderhavig ontwerp van tekst : het strekt ertoe om in artikel 149, tweede volzin, van de Grondwet, de uitspraak van het vonnis in openbare terechtzitting te vervangen door het voorschrift dat het vonnis wordt « openbaar bekendgemaakt op de wijze bepaald door de wet ». Er wordt dus niet geraakt aan de openbare bekendmaking, maar de wetgever zal voortaan de nadere regels daarrond bepalen. In een nieuwe derde volzin wordt bepaald dat in strafzaken het beschikkend gedeelte van het vonnis wordt uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Het ontwerp vloeit voort uit een herzieningsvoorstel dat de heer Servais Verherstraeten op 19 juli 2017 in de Kamer heeft ingediend (stuk Kamer, nr. 54-2628/1).

De mede-auteurs, in volgorde van ondertekening, zijn de heren Patrick Dewael en David Clarinval, mevrouw Sonja Becq, de heren Raf Terwingen, Stefaan Van Hecke en Marcel Cheron, de dames Kristien Van Vaerenbergh en Laurette Onkelinx, en de heer Francis Delpérée.

Het initiatief van de auteurs werd dus breed gedragen door de betrokken Kamerfracties.

De bespreking ervan is gestart op 23 mei 2018. Op 4 juli vond een hoorzitting plaats, waarin de toepassing van de beoogde wijziging op onze verschillende rechtscolleges verder werd uitgediept.

Kwamen eveneens aan bod : de interpretaties van de hogere rechtscolleges wat betreft de verhouding tussen de openbaarheid van de rechtspraak en het recht op eerbiediging van het privéleven (stuk Kamer, nr. 54-2628/9).

Men moet ook verwijzen naar het wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft, ingediend door mevrouw Onkelinx c.s. (stuk Kamer, nr. 54-3489/1). Die tekst, die de commissie Justitie op 5 februari 2019 heeft goedgekeurd, moet in samenhang met voorliggend tekstontwerp worden gelezen.

Met dat wetsvoorstel wordt ingegaan op bepaalde tijdens de hoorzitting van 4 juli 2018 geformuleerde opmerkingen, met name betreffende de waarborgen aangaande de inachtneming van de persoonlijke levenssfeer van de partijen.

Uiteindelijk heeft de commissie voor de Herziening van de Grondwet van de Kamer onderhavige tekst op 30 januari 2019 aangenomen, en werd het ontwerp op 14 februari in de plenaire zitting goedgekeurd.

Voor zover het relaas van het ontwerp dat nu in handen is van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

II. BESPREKING

A. Vragen en opmerkingen van de leden

De heer Dalle verklaart dat artikel 149 een essentiële bepaling is die al sinds 1831 in onze Grondwet voorkomt. De eerste zin van dit artikel bevat de motiveringsplicht. De tweede zin, die het onderwerp uitmaakt van de voorgestelde herziening, behelst het principe van de openbare uitspraak van vonnissen en arresten. Het belang van dit laatste principe werd in 1831 erkend. Verschillende doelstellingen lagen eraan ten grondslag, namelijk de rechtszekerheid, de eenheid van de rechtspraak, de transparantie van justitie en inzonderheid de kenbaarheid van de rechterlijke beslissingen voor de betrokken rechtzoekenden en het ruime publiek. Deze overwegingen brachten de grondwetgever er in 1831 toe te bepalen dat vonnissen en arresten integraal in openbare terechtzitting dienen te worden uitgesproken. De geschreven pers bracht er dan vaak verslag van uit.

Vandaag beantwoordt deze regeling niet langer aan het vereiste van een efficiënte werking van justitie.

Sinds 1999 werd artikel 149 elke keer voor herziening vatbaar verklaard, en pas vandaag, twintig jaar later, wordt er effectief tot herziening overgegaan. Spreker is de minister en de heer Verherstraeten dan ook erg dankbaar dat er eindelijk werk wordt gemaakt van de herziening van dit artikel, waardoor het in de tweede zin van dit artikel bepaalde principe in overeens