Wetshistoriek

Ingevoegd bij de grondwetsherziening van 5 mei 1993 (BS 8 mei 1993), gewijzigd bij de grondwetsherziening van 25 februari 2005 (BS 11 maart 2005) en gewijzigd bij de grondwetsherziening van 6 januari 2014 (BS 31 januari 2014).

Lees meer

Parlementaire voorbereiding

Parlementaire voorbereiding van de wijzigingen aangebracht bij de herziening van artikel 118 van de Grondwet van 6 januari 2014

Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet, Parl.St. Senaat 2011-2012, nr. 5-1752/1

Blz. 1:

“TOELICHTING

1. Toekenning van constitutieve autonomie aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en aan het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet moet samen worden gelezen met het voorstel tot herziening van de Grondwet van artikel 123, § 2, van de Grondwet (Stuk Senaat, nr. 5-1753/1), het voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat, nr. 5-1754/1) en het wetsvoorstel (Stuk Senaat, nr. 5-1755/1), samen ingediend in het Parlement.

Artikel 118, § 2, van de Grondwet staat de bijzondere wetgever toe om de aangelegenheden aan te duiden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waalse Gewest, welke door de Parlementen, elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel, naar gelang van het geval, kunnen worden geregeld. Artikel 123, § 2, van de Grondwet bevat een analoge regel voor de Regeringen. Het staat de bijzondere wetgever toe om de aangelegenheden aan te duiden betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Vlaamse Gemeenschap, de Regering van de Franse Gemeenschap en de Regering van het Waalse Gewest welke door hun Parlementen, elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel, naar gelang het geval, kunnen worden geregeld. Deze drie Parlementen beschikken op grond hiervan over de « constitutieve autonomie ».

Overeenkomstig de verklaring tot herziening van de Grondwet van 7 mei 2010 zijn deze bepalingen voor herziening vatbaar (Belgisch Staatsblad 7 mei 2010).

Onderhavig voorstel wijzigt artikel 118, § 2, van de Grondwet. Ze kent de constitutieve autonomie toe aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Deze Parlementen zullen in beginsel over constitutieve autonomie beschikken in dezelfde aangelegenheden — aangewezen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen — als de Parlementen van de andere deelgebieden.

Wat het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, strekt het voorstel tot herziening van de Grondwet ertoe de bijzondere wetgever te machtigen om de aangelegenheden aan te duiden betreffende de verkiezing, samenstelling en werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest welke door dit Parlement geregeld kunnen worden.

Met het oog op de uitvoering van dit voorstel tot herziening van de Grondwet, bepaalt het voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat, nr. 5-1754/1) dat samen ingediend wordt in het Parlement, de aangelegenheden waarvoor de constitutieve autonomie toegewezen wordt aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in Brussel met betrekking tot het Parlement en de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (pariteit, gewaarborgde vertegenwoordiging, enz.) zullen onder de bevoegdheid van de bijzondere federale wetgever blijven vallen. Deze regels behoren dus niet tot de constitutieve autonomie die de bijzondere wetgever toekent aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen (Stuk Senaat, nr. 5-1754/1), dat samen met dit voorstel tot herziening wordt ingediend, duidt hiertoe de regels aan waarop de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betrekking heeft, met uitzondering van de regels die betrekking hebben op de waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten.

De waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid in Brussel genieten, zullen dus onder de bevoegdheid van de bijzondere wetgever blijven vallen. Het gaat om het aantal parlementsleden, de verdeling van de zetels tussen de taalgroepen, de vervanging van parlementsleden die tot de Regering van een deelentiteit toetreden door een volwaardig parlementslid, de paritaire samenstelling van de regering en de verhouding tussen het aantal gewestelijke Staatssecretarissen behorende tot de ene of de andere taalgroep, de alarmbelprocedure, de aangelegenheden waarover beslist moet worden met (in beginsel) een meerderheid van de stemmen in elke taalgroep, de wijze van verkiezing van de ministers, de collegiale besluitvorming en de besluitvorming bij consensus, de verdeling van de bevoegdheden onder de leden van de Regering volgens groepen van aangelegenheden, de motie van wantrouwen, de vertrouwenskwestie, enz.

Het voorstel kent de constitutieve autonomie eveneens toe aan het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap. Het laat de gewone wetgever toe om de aangelegenheden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap aan te duiden die door dit Parlement kunnen worden geregeld. Overeenkomstig artikel 118, § 1, van de Grondwet is het inderdaad de gewone wetgever die de verkiezingen, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap regelt.

Het voorstel van wet (Stuk Senaat, nr. 5-1755/1) dat samen ingediend wordt in het Parlement geeft uitvoering aan de huidige voorstellen tot herziening van de Grondwet door deze aangelegenheden te bepalen.

Net zoals bij de constitutieve autonomie waarover de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest beschikken, zal de uitoefening van de constitutieve autonomie door de Parlementen van de Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap gebeuren door het aannemen van een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

Het uitoefenen van de constitutieve autonomie door het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal evenwel gebeuren bij tweederde meerderheid en bij meerderheid in elke taalgroep.

Daartoe schrijft het voorstel tot herziening van de Grondwet voor dat de bijzondere wetgever moet voorzien in bijkomende meerderheidsvoorwaarden wat betreft het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat, nr. 5-1754/1) dat op hetzelfde moment ingediend wordt in het Parlement voorziet dan ook in deze bijkomende voorwaarden.

Dit voorstel tot herziening van de Grondwet past — zoals aangegeven door het Grondwettelijk Hof — in het algemene institutionele stelsel van de Belgische Staat dat beoogt een evenwicht te verwezenlijken tussen de verschillende gemeenschappen en gewesten van het Koninkrijk. Binnen dat algemene institutionele stelsel is het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest het enige tweetalige gebied, wat eigen institutionele organen en mechanismen verantwoordt.

2. Toekenning van constitutieve autonomie aan de Gemeenschaps- en Gewestparlementen om de duur van hun zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun vergadering vast te stellen

Artikel 118, § 2, van de Grondwet wordt bovendien aangevuld met een nieuw lid dat de bijzondere wet in staat stelt de Gemeenschaps- en Gewestparlementen de bevoegdheid toe te vertrouwen om de duur van hun zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun Parlementen elk voor zich bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel, vast te stellen. Dit decreet of de in artikel 134 bedoelde regel dienen te worden aangenomen met dezelfde meerderheid als die die vereist is voor de uitoefening van de constitutieve autonomie door het betrokken Parlement.

In artikel 118 wordt een overgangsbepaling ingevoegd. Die voorziet dat de bijzondere wet de datum van inwerkingtreding van artikel 118, § 2, vierde lid, bepaalt, en dit na de verkiezingen voor het Europese Parlement van 2014. Deze datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van artikel 46, zesde lid, en van artikel 65, derde lid.

VOORSTEL TOT HERZIENING VAN ARTIKEL 118 VAN DE GRONDWET

In artikel 118, § 2, van de Grondwet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de woorden « van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, » worden ingevoegd tussen de woorden « en de werking van » en de woorden « van het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap »;

2° de paragraaf wordt aangevuld met drie leden, luidende :

« De in het eerste lid bedoelde wet voorziet in bijkomende meerderheidsvoorwaarden wat het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft.

Een wet duidt de aangelegenheden aan betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, welke door dit Parlement bij decreet worden geregeld. Dat decreet moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het parlement aanwezig is.

De in eerste of in het derde lid bedoelde wet, naar gelang het geval, kan de Gemeenschaps- en Gewestparlementen de bevoegdheid toevertrouwen om elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel, naargelang het geval, de duur van hun legislatuur en de datum van de verkiezing van hun parlementen te regelen. Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met de meerderheden bedoeld in het eerste tot en met derde lid. »;

3° het artikel wordt aangevuld met een overgangsbepaling, luidende :

Overgangsbepaling

Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, bepaalt, na de verkiezingen voor het Europese Parlement van 2014, de dag waarop paragraaf 2, vierde lid, in werking treedt. Deze datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van artikel 46, zesde lid, en artikel 65, derde lid. »”

Lees meer

Verslag namens de Senaatcommissie voor de Institutionele Hervormingen, Parl.St. Senaat 2013-2014 , nr. 5-1752/3

Blz. 5:

"II. UITEENZETTINGEN OVER DE VOORSTELLEN INZAKE DE CONSTITUTIEVE AUTONOMIE

1. a) Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet; nr. 5-1752/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Delpérée 

Voorliggend voorstel tot herziening van de Grondwet strekt om de zogenaamde constitutieve autonomie — de heer Delpérée geeft de voorkeur aan de uitdrukking organisatorische autonomie — toe te kennen aan het Brussels Gewest en aan de Duitstalige Gemeenschap. Dit voorstel moet samen worden gelezen met het voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (Stuk Senaat
nr. 5-1753/1), met een voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat nr. 5-1754/1) en met een wetsvoorstel (Stuk Senaat nr. 5-1755/1), die samen bij onze assemblee aanhangig zijn gemaakt.

De bedoeling is eenvoudig. Men wil dat Gewest en die Gemeenschap de autonomie toekennen waarover de andere deelgebieden reeds beschikken en wel in dezelfde aangelegenheden, nl. die welke worden aangewezen in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Wat het Brusselse Gewest betreft, strekt het voorstel tot herziening van de Grondwet om de bijzondere wetgever de bevoegdheid te geven om een geheel van aangelegenheden betreffende de samenstelling en de werking van het Parlement van het Brusselse Gewest aan te wijzen, die dan door het Gewest geregeld zullen kunnen worden. Het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1754/1 strekt om die aangelegenheden aan te wijzen.

Overeenkomstig het politieke akkoord blijft de bijzondere federale wetgever bevoegd voor de waarborgen die de Franstalige en Nederlandstalige Brusselaars inzake het Parlement en de regering van het Brusselse Gewest genieten (bijvoorbeeld pariteit of gewaarborgde vertegenwoordiging). Die regels vallen dus niet onder de autonomie die het voorstel van bijzondere wet aan het Brusselse Gewest geeft.

Het gaat meer bepaald om :

— het bepalen van het aantal parlementsleden,

— de zetelverdeling onder beide taalgroepen,

— de vervanging van de parlementsleden die lid worden van een deelstaatregering,

— de paritaire samenstelling van de regering,

— de verhouding tussen het aantal staatssecretarissen van het Gewest die tot de ene of de andere taalgroep behoren,

— de alarmbelprocedure,

— het bepalen van de aangelegenheden waarvoor de beslissingen in principe genomen worden met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep,

— de wijze waarop de ministers worden verkozen,

— de collegiale besluitvorming en de besluitvorming bij consensus,

— de verdeling van de bevoegdheden onder de leden van de regering volgens groepen van aangelegenheden,

— de motie van wantrouwen,

— de vertrouwenskwestie, enz.

Voorliggend voorstel tot herziening van de Grondwet geeft de wetgever ook de gelegenheid de aangelegenheden betreffende de samenstelling en de werking van het Duitstalige Parlement aan te wijzen die door de Duitstalige Gemeenschap kunnen worden geregeld. Het wetsvoorstel nr. 5-1755/1 bepaalt die aangelegenheden.

Net zoals bij de organisatorische autonomie waarover de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest beschikken, zal de autonomie van de Parlementen van het Brusselse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap uitgeoefend worden door het aannemen van een decreet of een ordonnantie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

De autonomie in het Brusselse Gewest wordt evenwel uitgeoefend bij twee derden meerderheid in het Parlement en bij volstrekte meerderheid in elke taalgroep. Daartoe schrijft het voorstel tot herziening van de Grondwet voor dat de bijzondere wetgever moet voorzien in bijkomende meerderheidsvoorwaarden wat betreft het Parlement van het Brusselse Gewest. Het voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat nr. 5-1754/1), dat op hetzelfde moment in de Senaat werd ingediend, voorziet in de bijkomende voorwaarden.

Het voorstel tot herziening van de Grondwet kent de gemeenschappen en gewesten ook het recht toe om de duur van hun zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun Vergadering te bepalen. Het vierde lid dat in artikel 118, § 2, wordt ingevoegd, machtigt meer bepaald de bijzondere wetgever de deelcollectiviteiten de bevoegdheid te geven om elk voor zich bij decreet of bij ordonnantie, de duur van hun zittingsperiode alsook de datum van de verkiezing van hun Vergadering vast te stellen. Dat decreet of die ordonnantie dient te worden aangenomen met dezelfde meerderheid als die welke vereist is voor de uitoefening van de autonomie.

In artikel 118 wordt een overgangsbepaling ingevoegd. Die voorziet erin dat de bijzondere wet de datum van inwerkingtreding van artikel 118, § 2, vierde lid, bepaalt, en wel na de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2014. Die datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van artikel 46, zesde lid, en van artikel 65, derde lid.»

Blz. 10:

"III. ALGEMENE BESPREKING

1.Vragen en replieken van de leden

De heer Laeremans is van mening dat de constitutieve autonomie, zoals zij thans wordt voorgesteld, wat Vlaanderen betreft, niet ver genoeg gaat en, wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, problematisch is. Dit laatste gewest is immers niet te vergelijken met de beide andere deelstaten, zoals ook de Vlaamse regering stelt, en vereist een statuut sui generis. Gelet op de specificiteit van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest moet men zich voor de organisatie van de verkiezing en de samenstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, alsook voor de werking van de regering kunnen baseren op de Grondwet en de bijzondere wetten. Die worden immers in het Federale Parlement goedgekeurd door zowel Nederlandstaligen als Franstaligen.

De constitutieve autonomie voor Brussel, die hier wordt voorgesteld, grenst aan het karikaturale. Waarom geeft men de mogelijkheid aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om, bijvoorbeeld, aparte kieskringen in het leven te roepen, gespreid over de negentien gemeenten ? Is dat noodzakelijk ? Ook de Raad van State heeft hier grote bedenkingen bij : men kan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet zomaar raken aan de verhouding tussen de zeventien zetels die voorbehouden zijn aan Nederlandstalige verkozenen en de tweeënzeventig zetels die voorbehouden zijn aan Franstalige verkozenen, vermits men dan de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel op de helling zet. Ex absurdo wordt hier de overbodigheid aangetoond van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, hoewel ze tijdens de formatiebesprekingen in 2010 zowel in de nota-Di Rupo als in de nota-De Wever voorkwam.

Een en ander moet bovendien samen worden gelezen met de voorstellen inzake de samenvallende federale, Europese en deelstatelijke verkiezingen. De mogelijkheid voor het Vlaams Parlement om zelf te beslissen om aparte verkiezingen te organiseren is evenwel slechts theoretisch vermits hiervoor in het Vlaams Parlement een meerderheid van twee derden vereist is. De Belgicistische partijen hebben daar samen immers 39 % van de zetels en, hoewel dat aantal gestaag afneemt, zullen zij steeds een twee derde meerderheid kunnen afblokken. Daarenboven is er een bijzondere wet vereist op het federale niveau, als gevolg waarvan hierover zal moeten worden onderhandeld met de Franstalige partijen en er dus ongetwijfeld een prijs zal moeten worden betaald.

De hele regeling die hier wordt voorgesteld, legt dus enerzijds de Vlaamse autonomie aan banden en zorgt er anderzijds voor dat Brussel steeds verder weg drijft van Vlaanderen. Daardoor is opnieuw conflictstof in de kiem aanwezig.

De vraag rijst bovendien wat er zal gebeuren wanneer het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wil verhinderen dat er op dezelfde dag verkiezingen zouden worden gehouden voor het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement worden immers sedert 2004 niet langer aangeduid door de Nederlandse taalgroep in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, maar worden tegelijk met de verkiezing van het Vlaams Parlement rechtstreeks verkozen middels een afzonderlijke verkiezing. Volgens eminente grondwetsspecialisten kunnen enkel de kiezers die bij de verkiezing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement hetzij hun stem uitbrengen op Nederlandstalige lijsten, hetzij zich onthouden, ook hun stem uitbrengen voor de verkiezing van de zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement. Dat mechanisme zal echter niet langer kunnen worden gebruikt wanneer de verkiezingen van het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement op verschillende data worden gehouden. Het wordt dan bijzonder moeilijk om te bepalen wie aan de verkiezing van de zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement zal mogen deelnemen. Het zou onaanvaardbaar zijn om hiervoor alle Brusselse kiezers te laten stemmen, vermits dat ertoe zou leiden dat alle Brusselse verkozenen in het Vlaams Parlement Franstalig zouden zijn. Een oplossing zou kunnen zijn om de verkiezing van het Vlaams Parlement in verschillende fases te laten gebeuren. Maar dat staat haaks op artikel 117, eerste lid, van de Grondwet, dat bepaalt :

« De leden van de Gemeenschaps- en Gewestparlementen worden gekozen voor vijf jaar. De Gemeenschaps- en Gewestparlementen worden om de vijf jaar geheel vernieuwd. »

De Parlementen worden dus in hun geheel vernieuwd; een gedeeltelijke vernieuwing wordt uitdrukkelijk uitgesloten. Deze grondwetsbepaling zal ongewijzigd blijven, ook in de plannen van de institutionele meerderheid. De vraag is dus hoe zij dit probleem wilt oplossen. Is het de bedoeling om artikel 117 van de Grondwet, waarvan het tweede lid zal worden vervangen ingevolge de goedkeuring van het voorstel nr. 5-1751/1, andermaal te herzien ? Welke andere oplossing wordt eventueel overwogen ?

De heer Vanlouwe deelt de bezorgdheid van de vorige spreker over de positie van de Vlaamse Brusselaars wanneer de voorgestelde constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt toegekend.

Tevens plaatst hij enkele kanttekeningen bij het begrip « constitutieve autonomie ». De Grondwet noch de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermelden dit begrip, dat vanuit een parlementaire praktijk is ontstaan naar aanleiding van de staatshervorming die in 1993 werd doorgevoerd. De termen « constitutieve autonomie » en « constitutionele autonomie » worden door mekaar gebruikt, maar hebben een verschillende draagwijdte. Omdat staten de samenstelling en de verhouding tussen hun organen op verschillende manieren kunnen regelen, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de constitutieve autonomie, enerzijds, en de grondwetgevende — of constitutionele — autonomie, anderzijds.

In de thans besproken voorstellen wordt, in de Belgische context, onder « constitutieve autonomie » verstaan, de autonome bevoegdheid, onafhankelijk van wat de federale wetgever daaromtrent voorziet, voor de deelstaten om de inrichting en de werking van hun eigen organen te reguleren in de ruime zin van het woord. De draagwijdte van de « constitutieve autonomie » kan evenwel variëren van land tot land. Het kan bijvoorbeeld gaan om de keuze tussen een bicameraal of een monocameraal parlementair stelsel. Dat is evenwel niet mogelijk binnen de Belgische context, hoewel de Brusselse instellingen door hun complexiteit wel die richting opgaan : men denke aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. « Constitutieve autonomie » kan ook betrekking hebben op het vastleggen van de periodiciteit van vergaderingen, de organisatie van de parlementaire controle, de procedures inzake volksraadplegingen, de wijziging van de kieswetgeving, enz.

Wat dat laatste betreft, verwijst de heer Vanlouwe naar de idee, die in bepaalde Franstalige kringen de ronde doet, om het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in kiesdistricten in te delen. Wat is het standpunt van de Vlamingen daarover ?

Nog steeds in de ruime definitie kan « constitutieve autonomie » ook betrekking hebben op de regeling van de onverenigbaarheden, het stelsel van de politieke onschendbaarheid en onverantwoordelijkheid en de invoering van een deelstatelijk gerechtelijk systeem.

Volgens spreker wordt in de Belgische rechtsleer en ook in de voorliggende voorstellen tot herziening van de Grondwet afgeweken van de ruime, algemene definitie van « constitutieve autonomie ». Dat begrip wordt gehanteerd om aan de deelstaten — « entités fédérées » in het Frans — de bevoegdheid te verlenen om hun instellingen te regelen overeenkomstig de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet. Het gaat dan ook om een « constitutieve autonomie » sensu stricto. In de rechtsleer komt deze strikte definitie onder meer tot uiting in de bijdrage van professor Tulkens, die de « constitutieve autonomie » — zelf spreekt hij over « institutionele autonomie » — definieert als volgt :

« la faculté d'établir des règles concernant la composition, le recrutement, les pouvoirs respectifs et les rapports mutuels des différents organes propres à une entité fédérée, dans le respect de la Constitution fédérale. »

Professor Vande Lanotte, tevens vice-premier, omschrijft het begrip als « de bevoegdheid van de deelstaten om de inrichting en de werking van hun eigen organen te bepalen ».

Men doelt dus op de verkiezing en de samenstelling van de organen. De heer Vanlouwe stelt dan ook voor om het begrip « institutionele autonomie » te onderscheiden van het begrip « constitutieve autonomie » in de zin van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet. Sommigen pleiten ervoor om de « constitutieve autonomie » sensu stricto in de Belgische context eerder te benoemen als « constitutieve bevoegdheden ». Zij menen — terecht, volgens spreker — dat het begrip « constitutieve autonomie » wordt misbruikt, vermits het Vlaams Parlement met handen en voeten gebonden is aan wat op federaal niveau werd beslist en in de Grondwet en de ter uitvoering daarvan aangenomen bijzondere wetten is verankerd. Nog anderen spreken over « pouvoirs constitutifs ».

De heer Vanlouwe wijst erop dat hier geen sprake is van een foutieve vertaling. Het gevaar bestaat dat de Franse en Nederlandse begrippen verkeerd worden gebruikt en geïnterpreteerd, net zoals dat thans het geval is met de begrippen « deelstaten » en « entités fédérées », die ook een andere draagwijdte hebben. Men zou de indruk kunnen krijgen dat de deelstaten een volledig autonome regeling kunnen uitwerken voor hun instellingen. Zelf zou de heer Vanlouwe niets liever willen voor Vlaanderen, maar evenwel niet voor Brussel.

De huidige constitutieve autonomie in België is een gelimiteerde vorm van institutionele autonomie vermits ze beperkt wordt door wat in de Grondwet en de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 is bepaald. Daarom wordt beter gesproken over « het toekennen van institutionele bevoegdheden » in plaats van « constitutieve autonomie ». De Franstalige rechtsleer gebruikte oorspronkelijk het begrip « le pouvoir d'auto-organisation », een vorm van zelfregeling. Zelfs de Raad van State gebruikte tamelijk recent nog de term « constitutieve bevoegdheden ». Jammer genoeg voor Vlaanderen is het echter geen autonomie, het gaat om constitutieve bevoegdheden die in beperkte vorm aan deelstaten worden toegekend.

De heer Deprez merkt op dat « Vlaanderen » grondwettelijk niet bestaat. Dat is enkel het geval voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.

De heer Vanlouwe wijst op een taalkundig probleem met betrekking tot het gebruik van de woorden die de meerderheid in de Grondwet wil inschrijven. De constitutionele autonomie die nu in de Grondwet staat, bestaat ook niet, het is een constitutionele bevoegdheid. De constitutionele autonomie, niet te verwarren met constitutieve autonomie, is de autonome bevoegdheid van de deelstaat om, onafhankelijk van de federale wetgever, een eigen Grondwet uit te vaardigen, waarbij onder andere een regeling kan worden getroffen inzake de inrichting en werking van eigen organen. België kent geen dergelijke grondwetgevende autonomie. De parlementaire voorbereiding van de Staatshervorming in 1992-1993 spreekt van « un embryon de pouvoir constitutionnel ». In haar handboek « Een Grondwet voor de Belgische deelstaten ? Lessen uit het buitenland en de Europese Unie » schrijft Cathy Bercx, voormalig CD&V-parlementslid en huidig provinciegouverneur van Antwerpen, dat in andere federale staten zoals de Verenigde Staten, Canada, Zwitserland of Duitsland, de deelstaten wel een grondwetgevende autonomie hebben. Op dit ogenblik komt de zogenaamde constitutieve autonomie enkel toe aan het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waals Gewest.

De heer Delperée preciseert dat het vandaag niet de Parlementen zijn die over de constitutieve autonomie beschikken, maar de Parlementen én de regeringen. Het is een binair systeem, een Parlement heeft die bevoegdheid niet op zijn eentje.

De heer Vanlouwe verklaart dat er een ongelijke regeling voor de verschillende deelstaten bestaat, ondanks een bepaalde trend om naar gelijkheid tussen de deelstaten te streven. Zowel de Duitstalige Gemeenschap als het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden in de huidige regeling, om verschillende redenen, uitgesloten van deze vorm van constitutieve autonomie. De voorliggende voorstellen willen daar een einde aan maken. Spreker herinnert aan de redenen die twintig jaar geleden werden aangehaald om de constitutieve autonomie niet aan de Duitstalige Gemeenschap en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toe te kennen. Tijdens de bespreking van de grondwetsherziening in 1992-1993 stelden de politieke partijen, dezelfde partijen die nu de wijziging voorstellen, dat de uitbreiding van de constitutieve autonomie tot alle gemeenschappen en gewesten werd verworpen om de communautaire pacificatie die heel de grondwetsherziening schraagde, niet in het gedrang te brengen. In het licht van die situatie werd gesteld dat de Vlaamse partijen het er moeilijk mee hadden om van Brussel een volwaardig Gewest te maken dat ook over een beperkte vorm van constitutieve autonomie zou beschikken.

Ook in de rechtsleer was er begrip voor de verschillende behandeling van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op dit punt. Het statuut van Brussel als federale hoofdstad, en dus ook als bicommunautair gebied waar twee gemeenschappen actief zijn die elk hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van welzijn, onderwijs en cultuur, kan volgens verschillende professoren de niet-toekenning van een vorm van constitutieve autonomie verantwoorden omdat dergelijke constitutieve autonomie sensu stricto het evenwicht tussen de Nederlandstalige en de Franstalige groepen in het gedrang kan brengen. De bescherming van de Nederlandstaligen in Brussel is absoluut noodzakelijk en de zogezegde uitstekende bescherming van de Vlaamse minderheid stopt in elk geval de stadsvlucht niet.

Wat de Duitstalige Gemeenschap betreft is de situatie anders. Het gebied bestrijkt een kleiner territorium en een kleiner gedeelte van de bevolking. Dat lijkt echter geen verantwoording te zijn voor de ongelijke behandeling.

De al dan niet gerechtvaardigde discriminatie kan niet door het Grondwettelijk Hof worden getoetst aangezien ze in de Grondwet verankerd ligt. Bepaalde hoogleraren stellen dat de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 wel door het Grondwettelijk Hof kan worden getoetst aan het principe van de gelijke behandeling van de deelstaten. Volgens dat principe is het natuurlijk wel toegestaan om gemeenschappen of gewesten verschillend te behandelen wegens hun specifiek karakter, zoals dat het geval is voor het Brussel Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Vanlouwe blijft erbij dat het geheel van voorstellen met betrekking tot de constitutieve autonomie opnieuw de deur openzet voor een gelijkschakeling van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met het Vlaams en het Waals Gewest. Dat blijkt al uit de terminologie, waar het hoofdstedelijk aspect van Brussel telkens afneemt en het aspect van een volwaardig derde Gewest aan belang wint wanneer het erop aankomt gelijk behandeld te worden met het Vlaams en het Waals Gewest. Het hoofdstedelijk karakter wordt enkel benadrukt wanneer bijkomende financiering nodig is. De herfinanciering van Brussel heeft ervoor gezorgd dat de begroting nu plots in evenwicht is en de Franse Gemeenschap bij Brussel aanklopt om financiële steun.

De heer Vanlouwe zou vooral graag zien dat zijn stad op een goede manier bestuurd wordt, dat de stadsvlucht stopt en dat er wederzijds respect is tussen de Nederlandstaligen, de Franstaligen en de vele nieuwkomers. Deze voorstellen zullen dat niet oplossen, maar zullen ervoor zorgen dat de situatie van de Nederlandstaligen er opnieuw op zal achteruitgaan.

De heer Moureaux waagt zich niet aan grote juridische discussies maar wil graag even ingaan op de situatie van Brussel. Spreker weet niet of de heer Vanlouwe de demografische evolutie en de problematiek van de wijzigende bevolking in Brussel volgt, maar als dat het geval is, dan zal hij er zich ongetwijfeld bewust van zijn dat een deel van de Brusselaars, namelijk zij die over voldoende middelen beschikken, de stad verlaten omdat het zeer moeilijk is in Brussel geschikte huisvesting te vinden. Dat heeft niets met taal te maken. De evolutie van de periferie en de aanwezigheid van een groot aantal Franstaligen aldaar, heeft met hetzelfde probleem te maken. Deze uittocht beperkt zich overigens niet enkel tot Vlaams-Brabant, ook Waals-Brabant heeft een grote sociologische wijziging doorgemaakt door het vertrek van Franstalige Brusselaars naar deze provincie.

Het fenomeen overstijgt dus duidelijk de taalkundige obsessie van de heer Vanlouwe. Het is een sociologisch probleem dat inderdaad moeilijkheden meebrengt, zoals een verpaupering van de Brusselse bevolking vermits het meestal de eerder kapitaalkrachtigen zijn die de stad verlaten.

De heer Moureaux vindt het belangrijk dat er een dynamische Nederlandstalige bevolking in Brussel aanwezig blijft. Als burgemeester heeft hij getracht dit te bevorderen. Zo wonen in grote woonprojecten, bijvoorbeeld langs de kanaalzone, veel mensen die ervoor gekozen hebben terug in Brussel te wonen. Dat moet worden aangemoedigd.

Spreker stelt vast dat er ook een evolutie is waarbij immigranten voor hun kinderen bewust kiezen voor het Nederlandstalig onderwijs, waardoor bij deze bevolkingsgroepen het gebruik van het Nederlands toch ook ingang vindt. Spreker juicht dat toe want hij heeft het altijd belangrijk gevonden dat de Vlaamse aanwezigheid in Brussel significant zou zijn.

De voorliggende tekst behelst, aldus senator Moureaux, twee belangrijke punten :

— er wordt een belangrijke stap voorwaarts gezet naar meer autonomie voor de gemeenschappen en de gewesten : de voorgestelde aanzienlijke bevoegdheidsoverdracht is daarvan het beste bewijs;

— voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een beperkte constitutieve autonomie ingevoerd; maar die autonomie wordt volledig ingebed in het bestaande evenwicht tussen de twee gemeenschappen, aanwezig op het Brusselse grondgebied. Dat betekent concreet dat de bijzondere wetgever wordt gemachtigd om de aangelegenheden aan te duiden betreffende de verkiezing, samenstelling en werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, welke door dit Parlement geregeld kunnen worden (zie het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1754/1). De bijzondere wet zal met andere woorden de regels aanduiden waarop de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betrekking heeft, met uitzondering van de regels die betrekking hebben op de waarborgen die de personen van de Nederlandse en de Franse taalaanhorigheid genieten. Deze waarborgen zullen onder de bevoegdheid van de bijzondere wetgever blijven vallen. Het uitoefenen van de constitutieve autonomie door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement zal daarenboven gebeuren middels een bijzondere ordonnantie die bij twee derde meerderheid en bij meerderheid in elke taalgroep wordt aangenomen.

Die, zij het beperkte stap naar meer constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, is logisch in een proces naar meer federalisme, aldus spreker.

De heer Delpérée formuleert drie bedenkingen.

1. Eenzelfde woord kan in de Grondwet verscheidene betekenissen hebben. Het woord « autonomie » is daarvan een duidelijk voorbeeld. In 1831 werd daarmee in de eerste plaats de lokale autonomie van de steden en de gemeenten bedoeld; voorts waren er de gedecentraliseerde besturen die onderworpen waren aan een voogdij-overheid, die waakte over de wettelijkheid en het algemeen belang. Vanaf de jaren 1970 en 1980 heeft het woord « autonomie » een andere invulling gekregen, met de oprichting van de gemeenschappen en de gewesten die over wetgevende bevoegdheid beschikken bij middel van decreten en ordonnanties. Ook aan het begrip « constitutieve » wordt naar gelang van het geval een verschillende invulling gegeven.

2. De constitutieve autonomie wordt voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest anders ingevuld dan voor de andere gemeenschappen en gewesten, maar dat verschil wordt verklaard door het feit dat de bestaande garanties voor de Vlaamse Gemeenschap moesten worden gevrijwaard. Vandaar het instrument van de bijzondere ordonnantie, aan te nemen bij twee derde meerderheid en bij meerderheid in elke taalgroep.

3. Het begrip « deelstaat » (in het Frans État fédéré), dat door verscheidene sprekers wordt gebezigd, bestaat niet : het is een contradictio in terminis.

De heer Deprez onthoudt uit de uiteenzetting van senator Vanlouwe twee verschillende stellingen waarop hij wenst te repliceren :

— senator Vanlouwe kan zijn ontgoocheling niet verbergen over het feit dat doorheen de verschillende fases in de Staatshervorming stappen werden gedaan naar een grotere autonomie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : die stappen zijn steeds het gevolg geweest van de zoektocht naar een compromis tussen meer autonomie voor de gemeenschappen enerzijds en de gewesten anderzijds. Ook de toekenning van de weliswaar beperkte constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap is het resultaat van een compromis, respectievelijk tussen de Vlamingen en de Franstaligen voor Brussel en tussen de Walen en de Duitstaligen voor de Duitstalige Gemeenschap;

— waar senator Vanlouwe laat verstaan dat de verruiming van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tot gevolg kan hebben dat de Brusselse Vlamingen uit Brussel zouden kunnen worden verjaagd, maakt hij zich schuldig aan een sofisme. De volgende principes blijven onverkort gelden : het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest blijft gevestigd op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, er wordt niet geraakt aan de beslissingen die met dubbele meerderheid moeten worden genomen en de bestaande gegarandeerde vertegenwoordiging (17 Nederlandstaligen — 72 Franstaligen) in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt niet gewijzigd. Via de constitutieve autonomie kan aan die waarborgen geen afbreuk worden gedaan. Er is geen enkele juridische, wettelijke, sociologische of andere reden ter staving van de door senator Vanlouwe geponeerde stelling.

Senator Laeremans erkent dat de sociologische evolutie in Brussel inderdaad niet meteen samenhangt met het Brussels stedelijk beleid, maar wel met het federaal asiel- en migratiebeleid. Spreker blijft er echter van overtuigd dat de verruiming van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wel degelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Zo zou men bijvoorbeeld de datum van de verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement kunnen loskoppelen van de datum van de verkiezingen voor het Vlaams Parlement, wat tot bepaalde manipulaties zou kunnen leiden die tot een verwijdering tussen Brussel en Vlaanderen zouden kunnen leiden. Ook de eventuele opdeling van de Brusselse kieskring in kleinere entiteiten zou nadelige gevolgen kunnen hebben voor de Brusselse Vlamingen. Immers, de electorale impact van lokale populaire Franstalige gemeentelijke mandatarissen zal groter zijn in kleinere kieskringen.

Senator Moureaux repliceert dat beslissingen ter zake in de schoot van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement bij bijzondere ordonnantie moeten worden genomen, wat betekent dat de Nederlandstaligen steeds hun veto kunnen stellen (meerderheid vereist in elke taalgroep).

Senator Laeremans verklaart bij zijn standpunt te blijven en wijst er nog op dat heel het verhaal van de Fédération Wallonie-Bruxelles gebaseerd is op de uitdrukkelijke politieke wil om de band tussen die twee gewesten verder aan te halen en hen samen op het internationale plan als één geheel in de kijker te plaatsen. Dat is, aldus de heer Laeremans, een evolutie die tegen de Grondwet ingaat. Dat wordt ook met zoveel woorden gesteld door de Raad van State in zijn advies over het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1815 betreffende de gezamenlijke decreten (stuk Senaat, nr. 5-1815/2).

De heer Anciaux vraagt begrip voor de angst die bij een aantal Vlamingen bestaat voor de constitutieve autonomie van Brussel. Er bestaat immers een merkbare evolutie op dat vlak en dat is een toetssteen voor het groeiend vertrouwen dat tussen de gemeenschappen moet ontstaan. Indien de institutionele stappen die in het kader van de zesde Staatshervorming worden gedaan, niet tot wederzijds respect leiden en tot een groeiend wederzijds vertrouwen, dan zou dat wel eens ernstige problemen kunnen veroorzaken. Dit aspect van de hervorming is een kans om te bewijzen dat er wederzijds vertrouwen kan ontstaan tussen de gemeenschappen.

De heer Moureaux heeft volgens spreker gelijk wanneer hij stelt dat het niet opgaat dat men vanuit Vlaamse kant altijd doet alsof Brussel, op politiek vlak, een Franstalige stad is. In Brussel leven Franstaligen en Nederlandstaligen. Uit de opbouw van de verschillende staatshervormingen in de laatste decennia blijkt dat de Vlamingen in Brussel een zeer belangrijke machtspositie hebben verworven. Zonder hen kan men Brussel niet besturen of zomaar veranderen. Dat geldt ook voor de herziening van de Grondwet. Spreker kan dus niet aanvaarden dat men doet alsof alles mogelijk is zonder de goedkeuring van de Vlamingen.

De heer Anciaux merkt in de eerste plaats op dat een aantal aspecten niet onder de constitutieve autonomie vallen. De huidige waarborgen die zowel voor de Nederlandstalige als voor de Franstalige taalgroep bestaan, worden door deze zesde staatshervorming verankerd. Daar wordt op geen enkele manier afbreuk aan gedaan. Het is zelfs niet eens zo dat de constitutieve autonomie daarop slaat.

Voorts komt hij terug op de hypothese dat er plots zou worden voorgesteld om in Brussel zes kieskringen te organiseren. Hij betwijfelt niet dat de Vlaamse Gemeenschap in Brussel op dat moment zal nadenken en zien of dat in haar voor- of nadeel is. De hervorming maakt alleen maar kans als er geen enkel addertje onder het gras zit.

Een aspect waar spreker aandacht voor vraagt, is de problematiek van de rechtstreekse verkiezing van de zes Brusselse Vlamingen in het Vlaams Parlement. Drie opties zijn mogelijk. Ofwel worden deze zes personen door alle Brusselaars verkozen, maar hij betwijfelt of die optie bij iedereen in goede aarde zal vallen. Ofwel gebeurt dat in functie van een taalkeuze die men bij de verkiezing maakt, zoals dat nu al het geval is. Een derde optie is een vorm van subnationaliteit, maar ook hier is de kans van slagen gering. Hij ziet geen meerderheid voor de eerste en de derde optie, wat bijgevolg betekent dat het huidige systeem eigenlijk het beste is.

De keuze om in Brussel op een ander moment regionale parlementsverkiezingen te houden dan in Vlaanderen is volgens de heer Anciaux niet zo evident, niettegenstaande de beweringen van meneer Laeremans. De Vlamingen in Brussel hebben de mogelijkheid om dat te beletten aangezien, naast de drempel van de twee derde meerderheid, een dubbele meerderheid in elke taalgroep vereist is. De constitutieve autonomie geldt immers niet alleen voor het Parlement maar ook voor de regering. Een decreet of ordonnantie in die zin zou sowieso door deze dubbele filter moeten passeren. Enerzijds heeft spreker begrip voor de terughoudendheid van sommige Vlaamse collega's, maar anderzijds kan men niet beweren dat alles ten nadele van de Vlamingen kan worden geregeld.

De heer Mahoux stelt vast dat sommigen geneigd zijn hun persoonlijke mening in dit debat te temperen. Spreker zegt een groot voorstander te zijn van de solidariteit Wallonië-Brussel. De staatshervorming lijkt hem, in alle objectiviteit, voldoende waarborgen te bieden voor de Vlamingen in Brussel. Zo is de Vlaamse Gemeenschap in Brussel op politiek vlak ruim vertegenwoordigd zowel in het Brussels Parlement als in de Brusselse regering.

Wanneer spreker de vertegenwoordigers van het Vlaams Belang en de N-VA hoort verkondigen dat de Vlamingen in Brussel niet de nodige waarborgen hebben gekregen, dan kan hij enkel vaststellen dat die waarborgen groot zijn en heel reëel. Spreker heeft het maar zelden meegemaakt dat een minderheid zoveel waarborgen en bescherming krijgt als de gemeenschap van de Vlamingen in Brussel.

Een tweede punt betreft de zogenoemde bedreiging die uitgaat van de Fédération Wallonie-Bruxelles. Spreker herinnert eraan dat er op internet herhaaldelijk kaarten van België werden gepubliceerd waarop Brussel systematisch bij het Vlaams Gewest werd gevoegd. Die kaarten, die internationaal werden verspreid, geven moedwillig een misleidend beeld van de organisatie van onze Belgische Staat. Spreker kan enkel vaststellen dat die kaarten niet door Franstaligen werden verspreid.

De heer Cheron herinnert eraan dat zijn fractie het voorgestelde beginsel van constitutieve autonomie steunt. Die constitutieve autonomie, zoals omschreven in de zesde Staatshervorming en zoals die zal bestaan voor degenen die ze nu nog niet hebben, namelijk het Brussels Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, vormt een belangrijke stap vooruit. Hiermee wordt een onrechtvaardigheid rechtgezet tegenover de Duitstaligen en de Brusselaars.

De voorwaarden waaronder de constitutieve autonomie zal worden uitgeoefend, worden duidelijk afgebakend in de artikelen 118 en 123 van de Grondwet. Spreker begrijpt bijgevolg de ongerustheid niet van sommige Vlaamse collega's over de waarborgen voor de Vlaamse minderheid in Brussel. Betekent dit in werkelijkheid dat zij geen vertrouwen hebben in die minderheid en in hoe zij die autonomie zullen invullen ? Spreker begrijpt de redenen van die aarzelende houding niet.

Volgens spreker is het noodzakelijk vertrouwen te hebben in de verkozenen van het Brussels Gewest, ongeacht of het Franstaligen, Vlamingen of verkozenen zijn die van elders komen. Zij hebben er immers voor gekozen in dat gewest te gaan wonen om er vooruitgang te brengen.

De heer Laeremans merkt op dat sommige collega's zich druk maken over enkele kaarten op internet, maar anderzijds de betekenis van de Fédération Wallonie-Bruxelles volledig banaliseren.

Spreker herinnert eraan dat Brussel op grondwettelijk vlak uitgeroepen werd tot de hoofdstad van Vlaanderen en dit, met de goedkeuring van de Franstaligen. Het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering bevinden zich trouwens in Brussel. Het Waalse Gewest heeft daarentegen gekozen voor Namen, terwijl de Franstalige Gemeenschap ook voor Brussel heeft geopteerd. De Vlamingen hebben volgens spreker dus het volste recht om op een kaart hun hoofdstad in Vlaanderen te tekenen, te meer daar Brussel geografisch in Vlaanderen ligt. Hij heeft er geen bezwaar tegen als de Franstalige gemeenschap een kaart maakt van Wallonië en Brussel.

De Vlamingen hebben zich altijd afgezet tegen de drieledigheid van de gewestvorming omdat die problematiek bijzonder gevoelig ligt. De Vlaamse bevolking, meerderheid in ons land, vreesde dat er een soort wettelijke en institutionele minorisering zou ontstaan als twee gewesten zouden samenwerken en samenspannen tegen één.

Dit scenario doet zich meer en meer voor in de praktijk. De Fédération Wallonie-Bruxelles is niet zo onschuldig als wordt voorgesteld. Er werd trouwens nooit een akkoord over gesloten met de Vlamingen en het principe van deze Fédération werd nooit in de Grondwet ingeschreven. Het werd eenzijdig beslist door de Franstaligen, zelfs zonder het advies van de Vlamingen in Brussel te vragen.

Ook al is de Fédération Wallonie-Bruxelles ongrondwettelijk, op internationaal vlak geeft ze wel de indruk dat het Gewest Wallonië en het Gewest Brussel eenzelfde entiteit vormen.

Voorts betwist spreker de stelling dat de Vlamingen in Brussel goed beschermd zijn. De Duitstaligen genieten een veel betere bescherming aangezien zij een eigen Parlement hebben en alles autonoom kunnen beslissen. Daarenboven zijn de Vlamingen in Brussel helemaal geen minoriteit op institutioneel vlak. In Brussel geldt immers het principe van de institutionele pariteit tussen Vlamingen en Franstaligen, ook al wordt dit in de praktijk niet nageleefd en als dusdanig erkend. Met de Fédération Wallonie-Bruxelles ondermijnt men het tweetalig karakter van Brussel.

De heer Laeremans wijst erop dat zijn partij er reeds in 1988 voor waarschuwde dat de drieledigheid van de staatsstructuur zou worden misbruikt in een coalitie van twee tegen één. Zijn partij heeft op dat vlak over de hele lijn gelijk gekregen. Brussel wordt volledig opgeslorpt in een Franstalige sfeer. Dat wordt ten overvloede geïllustreerd door de bevoegdheidsverdeling en de werkwijze binnen de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Voor de kinderbijslag hebben de Franstalige Brusselaars en het Waals Gewest reeds een akkoord gesloten, zonder de Vlamingen daarbij te betrekken. Men « vergewestelijkt » dus de gemeenschapsbevoegdheden. Het is die kwade trouw van de Franstaligen en de ongrondwettelijke creatie van een Fédération Wallonie-Bruxelles die ervoor zorgen dat zijn partij geen vertrouwen heeft in de constitutieve autonomie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De heer Delpérée meent dat men moet letten op het woordgebruik in de teksten. Zoals het woord « minderheid » dat door verschillende sprekers wordt gebruikt om de Vlamingen in Brussel aan te wijzen. Voor spreker zijn de Vlamingen in Brussel geen minderheid, net zo min als de Franstaligen een minderheid zouden zijn in België. De Grondwet vermeldt in het opschrift van Titel I :« Het federale België, zijn samenstelling en zijn grondgebied ».

De heer Moureaux merkt op dat de Franstaligen onbetwistbaar een minderheid zijn in België.

De heer Delpérée antwoordt dat het om een numerieke, maar geen politieke minderheid gaat. De Staat bestaat uit componenten. De Duitstalige minderheid is, ondanks het kleine aantal inwoners, één van de componenten van de Belgische federale Staat.

Volgens de heer Vanlouwe toont het debat aan dat de constitutieve autonomie een delicaat onderwerp is waar Nederlands- en Franstaligen diametraal tegenover elkaar staan. De heer Anciaux heeft verklaard begrip te hebben voor de vrees die er langs Nederlandstalige kant bestaat voor de Brusselse constitutieve autonomie. Zowel zijn partij als de CD&V hebben die autonomie in het verleden altijd afgeremd. Hij verklaarde eveneens dat het vertrouwen tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen in Brussel moet groeien.

Maar hoe kan dat vertrouwen groeien als wij moeten vaststellen dat de herfinanciering van het Brussels Gewest plots een doorgeefluik wordt voor de Franstalige Gemeenschap ? De minister van de Franse Gemeenschap heeft immers al financiële hulp gevraagd.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als er eenzijdig beslist wordt om een Brussels-Waalse Federatie op te richten ? Als Brusselse Vlaming behoort hij blijkbaar tot een federatie waarover zijn mening nooit is gevraagd. Men doet alsof er twee gewesten plots beslist hebben om samen een federatie te vormen. Een dergelijke beslissing vergroot de complexiteit van dit land.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als in de discussie over de kinderbijslag waarvoor in Brussel de GGC bevoegd zal worden, er nu al plannen zijn om het beleid af te stemmen op dat van Wallonië ?

Hoe kan het vertrouwen groeien als de wetgeving op de tweetaligheid wordt weggelachen ? Vele burgemeesters of schepenen kennen geen Nederlands of doen zelfs de moeite niet om het te leren terwijl dat gewoon een kwestie van elementair respect is.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als blijkt dat in het Brussels Gewest één op de drie agenten niet over een tweetaligheidsattest beschikt, hoewel dat wettelijk verplicht is ? We hebben een goede taalwetgeving, maar er wordt niets gedaan om de afdwingbaarheid ervan te verbeteren. Uit een recent verslag van de vicegouverneur blijkt dat deze problemen zich in alle negentien gemeenten voordoen. Men doet er echter niets aan. De schorsing van benoemingen wordt niet gevolgd door een vernietiging door het Brussels hoofdstedelijk Gewest.

Bij het debat over de herfinanciering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft men vaak de nadruk gelegd op het hoofdstedelijk karakter van Brussel. Men vergeet echter dat dit hoofdstedelijk karakter gevolgen heeft voor de constitutieve autonomie : Brussel is de hoofdstad van meerdere gemeenschappen. Dan blijkt het hoofdstedelijk karakter niet meer benadrukt te worden.

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot een verbetering van de leefbaarheid, tot het stoppen van de stadsvlucht ?

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot een afdwingbare tweetaligheid ?

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot meer en betere democratie waarbij de kieswetgeving niet meer gewijzigd wordt op grond van partijbelangen ?

2. Standpunt van de staatssecretaris voor Staatshervorming en replieken

De staatssecretaris voor Staatshervorming, de heer Verherstraeten, beperkt zich in zijn repliek tot de teksten die voorliggen.

Hij gaat daarbij nader in op de opmerkingen die de Raad van State heeft geformuleerd :

« 1. Opmerking van de Raad van State

De Raad van State is van mening dat uit de toelichting bij de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet moet worden geconcludeerd dat « de Grondwetgever zelf met zekerheid heeft ingestemd met een lijst aangelegenheden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en betreffende de samenstelling en werking van de Brusselse Hoofdstedelijke regering, die de bijzondere wet niet aan de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan overlaten. Ook heeft de Grondwetgever, blijkens de voornoemde toelichting, ermee ingestemd dat de ordonnanties tot regeling van deze aangelegenheden niet alleen een tweederdemeerderheid vergen, vereist door de artikelen 118, § 2, eerste lid, en 123, § 2, eerste lid, van de Grondwet, maar tevens een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elk van de twee taalgroepen van het voornoemde Parlement » (advies 52.273/AV, nr. 3).

Verantwoording

Het voorstel van bijzondere wet samen neergelegd met deze voorstellen tot herziening van de Grondwet voorziet erin dat de waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in Brussel met betrekking tot het Parlement en de regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (pariteit, gewaarborgde vertegenwoordiging, enz.) onder de bevoegdheid van de b