Wetshistoriek

Oorspronkelijk artikel van 1831.

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Concordantie met internationale normen

Grondwettelijk Hof 10 juni 2021, nr. 84/2021

“B.4.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

B.4.2. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».

Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ».

B.4.3. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ».

B.5.1. Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan eenieder moet worden gewaarborgd. Het vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op de vrijheid om in rechte op te treden als op de vrijheid om zich te verdedigen.”

Lees meer
Recht op toegang tot de bevoegde rechter

Grondwettelijk Hof 13 november 2014, nr. 167/2014

"B.6. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel.

Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt voor personen van wie de rechten en vrijheden vermeld in dat Verdrag zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie.

B.7.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces vormt, vereist dat een beslissing van een administratieve overheid kan worden onderworpen aan de controle a posteriori van een rechtscollege met volle rechtsmacht."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 14 januari 2016, nr. 3/2016

"B.9.1. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Een persoon die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, heeft op grond van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 9, lid 4, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een recht op rechterlijke controle over de rechtmatigheid van zijn gevangenhouding. Artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet in bepaalde procedurele waarborgen voor een gedetineerde, die grotendeels overeenstemmen met die waarin artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet (EHRM, 25 oktober 2007, Lebedev t. Rusland, § 71). Hieruit vloeit onder meer voort dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechtscolleges (EHRM, grote kamer, 29 maart 2001, D.N. t. Zwitserland, § 42), het vermoeden van onschuld (EHRM, 16 maart 2010, Jiga t. Roemenië, § 100) en het recht om te worden gehoord (EHRM, grote kamer, 25 maart 1999, Nikolova t. Bulgarije, § 58) moeten worden gewaarborgd.

B.9.2. Daarnaast kunnen ook bepaalde strafrechtelijke waarborgen inzake het recht op een eerlijk proces van toepassing zijn vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter ten gronde, indien en voor zover de initiële miskenning van de vereisten ervan het eerlijk karakter van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM, 24 november 1993, Imbrioscia t. Zwitserland, § 36; 16 oktober 2001, Brennan t. Verenigd Koninkrijk, § 45; grote kamer, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, § 50). Aangezien het recht op persoonlijke vrijheid een burgerlijk recht is in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is die bepaling eveneens van toepassing op de voorlopig gehechte (vgl. EHRM, 30 juli 1998, Aerts t. België, § 59; 7 januari 2003, Laidin t. Frankrijk (nr. 2), § 76). Hieruit vloeit voort dat het recht op een eerlijk proces van de voorlopig gehechte wordt gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsmede bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

[…]

B.28. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.29. Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken.

B.30.1. Bij de beoordeling van de bestreden bepaling moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de strafuitvoeringskamer al dan niet verplicht is te zetelen in de gevangenis.

B.30.2. Ten aanzien van veroordeelden die niet in de gevangenis verblijven, mogen de strafuitvoeringskamers zitting houden in de gevangenis of in de rechtbank. Het loutere feit dat een rechter al een voorafgaande beslissing heeft genomen om al dan niet zitting te houden in de gevangenis kan niet op zich worden geacht een vrees over zijn onpartijdigheid te rechtvaardigen of worden beschouwd als een handeling die het vermoeden van onschuld in het gedrang zou kunnen brengen.

B.30.3. Indien de strafuitvoeringskamer verplicht is te zetelen in de gevangenis moet een dergelijke voorafgaande beslissing niet worden genomen. Het loutere feit dat een rechter al bepaalde voorafgaande beslissingen heeft genomen, kan niet op zich worden geacht een vrees over zijn onpartijdigheid te rechtvaardigen.

Aangezien zelfs een gewekte schijn van partijdigheid belangrijk kan zijn (EHRM, 6 juni 2000, Morel t. Frankrijk, § 42), moet de overheid een gepast kader creëren opdat er geen aanleiding is tot een dergelijke vrees. Een belangrijk element hierbij is de locatie van de zittingszaal in de gevangenis. Zo zijn, zoals in B.11.2 is vermeld, de zittingszalen in gevangenissen gelegen in de lokalen waar de administratie is gevestigd (Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2443/3, p. 49). De bestreden bepaling moet in die zin worden geïnterpreteerd.

De scheiding tussen « het hart van de gevangenis » (ibid., p. 50) en de zittingszaal van de gevangenis, die zich bevindt in het administratieve gedeelte van de gevangenis, waarborgt dat er geen twijfel ontstaat omtrent het vermoeden van onschuld of de objectieve onpartijdigheid van de strafuitvoeringskamer die zetelt in de gevangenis."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 4 oktober 2018, nr. 124/2018

“B.6.1. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel.

B.6.2. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, verzekert de rechtzoekenden dat hun zaak wordt behandeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechter die volle rechtsmacht heeft om hun grieven te onderzoeken.

B.6.3. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (grote kamer, 5 april 2018, Zubac t. Kroatië, § 77) dient het recht op toegang tot de rechter « concreet en effectief » te zijn en niet theoretisch en illusoir :

« Die opmerking geldt in het bijzonder voor de waarborgen waarin artikel 6 voorziet, gelet op de prominente plaats die het recht op een eerlijk proces in een democratische samenleving inneemt (Prins Hans-Adam II van Liechtenstein t. Duitsland [GK], nr. 42527/98, § 45, EHRM 2001-VIII, en Paroisse Gréco-Catholique Lupeni en anderen, voormeld, § 86) ».

Dit betekent dat, om als effectief te kunnen worden beschouwd, de rechtzoekende moet beschikken over « een duidelijke en concrete mogelijkheid om een handeling die een inmenging in zijn rechten vormt te betwisten » (EHRM, 4 december 1995, Bellet t. Frankrijk, § 36) :

« Het feit dat men de interne rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden maar enkel om zijn vorderingen onontvankelijk te horen verklaren als gevolg van de wet, voldoet niet steeds aan de vereisten van artikel 6, lid 1 […] : ook moet de graad van toegang die verschaft wordt door de nationale wetgeving volstaan om aan een individu het ‘ recht op een rechter ’ te verzekeren, gelet op het beginsel van de voorrang van het recht in een democratische samenleving. Een daadwerkelijke uitoefening van het recht op toegang vereist dat een individu beschikt over een duidelijke en concrete mogelijkheid om een handeling die een inmenging in zijn rechten vormt te betwisten (zie het voormelde arrest de Geouffre de la Pradelle, p. 43, § 34) ».”

Lees meer

Grondwettelijk Hof 18 juli 2019, nr. 111/2019

“B.31.3. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereist dat rechtzoekenden die een verdedigbare grief aanvoeren die is afgeleid uit de schending van dat Verdrag, toegang hebben tot een intern rechtsmiddel dat waarborgt dat de inhoud van de grief wordt onderzocht teneinde gepast herstel te bieden. De vereisten die voortvloeien uit artikel 13 kunnen evenwel variëren naar gelang van de aard van de grief, al dient het rechtsmiddel wel steeds daadwerkelijk te zijn (EHRM, 5 februari 2002, Čonka t. België, § 75; grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, § 288; grote kamer, 15 december 2016, Khlaifia e.a. t. Italië, § 268).

Om na te gaan of artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is geschonden, dient ook rekening te worden gehouden met alle beroepen waarover de verzoekers beschikken. Het geheel van de door het interne recht geboden beroepen kan voldoen aan de vereisten van artikel 13, zelfs wanneer geen enkele daarvan op zich daaraan helemaal beantwoordt (EHRM, 5 februari 2002, Čonka t. België, § 75; grote kamer, 21 januari 2011, M.S.S. t. België en Griekenland, § 289; grote kamer, 15 december 2016, Khlaifia e.a. t. Italië, § 268).”

Lees meer

Grondwettelijk Hof 7 november 2019, nr. 165/2019

“B.25.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

B.25.2. Dat artikel houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan de vereisten van het eerlijk proces dat onder meer wordt gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.25.3. Artikel 13 van de Grondwet verhindert de wetgever op zich niet over te gaan tot een nieuwe afbakening van het rechtsgebied van de gerechtelijke kantons en tot een nieuwe aanwijzing van de zetels van de vredegerechten in die kantons, die worden verantwoord door een streven naar een efficiëntere werking van de vredegerechten en een betere werklastverdeling.”

Lees meer

Grondwettelijk Hof 8 mei 2014, nr. 74/2014

“B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.

B.8.2. Krachtens de bestreden bepaling kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen het vergunningverlenende bestuursorgaan « in elke stand van het geding met een tussenuitspraak » de mogelijkheid bieden om de bestuurlijke lus toe te passen. Pas nadat het betrokken bestuursorgaan die mogelijkheid heeft benut, kunnen de partijen hun zienswijze meedelen (artikel 4.8.4, § 2, laatste lid).

B.8.3. Wanneer een rechtscollege, zoals te dezen de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een element aanbrengt dat ertoe strekt de beslechting van het geschil te beïnvloeden, zoals te dezen de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie, mutatis mutandis, EHRM, 16 februari 2006, Prikyan en Angelova t. Bulgarije, § 42; 5 september 2013, Čepek t. Tsjechische Republiek, § 45).

Het loutere oordeel door de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de belanghebbenden door de toepassing van de bestuurlijke lus niet onevenredig kunnen worden benadeeld, kan niet volstaan. Het komt immers de partijen zelf toe, en niet het rechtscollege, om uit te maken of een nieuw element opmerkingen behoeft of niet (zie, mutatis mutandis, EHRM, 18 februari 1997, Nideröst-Huber t. Zwitserland, § 29; 27 september 2011, Hrdalo t. Kroatië, § 36).

B.8.4. De toepassing van de bestuurlijke lus kan daarenboven gevolgen hebben voor de belanghebbenden, bedoeld in artikel 4.8.11 van de VCRO, die tegen de beslissing geen beroep hebben ingesteld en die niet zijn tussengekomen in het geding.

Het recht op toegang tot de rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd. Een beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, kan niet van het recht op toegang tot de rechter worden uitgesloten. De beperking van dat recht, voor een categorie van belanghebbenden, is niet evenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling die in essentie erin bestaat de bestuurlijke geschillenbeslechting te stroomlijnen en te versnellen.

B.8.5. Door niet te voorzien in een op tegenspraak gevoerd debat over de mogelijkheid tot toepassing van de bestuurlijke lus, in gevallen waarin zulks nog niet het voorwerp was van debat tussen de partijen, en door niet te voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing die met toepassing van de bestuurlijke lus is genomen, na de kennisgeving of de bekendmaking daarvan, doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter.”

Lees meer
Geen absoluut recht op toegang tot de rechter

Grondwettelijk Hof 10 juni 2021, nr. 84/2021

“B.5.2. Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. Het kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van dat recht. De beperkingen van dat recht moeten redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25). De reglementering dienaangaande moet de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag dusdanig geen beperkingen opleveren die de rechtzoekende verhinderen de inhoud van zijn geschil voor de bevoegde rechter te brengen (EHRM, Stagno t. België, voormeld; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69).

Die beperkingen kunnen een financieel karakter hebben (EHRM, 19 juni 2001, Kreuz t. Polen, § 54; 18 november 2014, Elinç t. Turkije, § 71). Het bedrag van de kosten dient evenwel te worden beoordeeld in het licht van de bijzondere omstandigheden van een gegeven zaak, met inbegrip van de solvabiliteit van de eiser en de fase van de procedure waarin de beperking in kwestie wordt opgelegd. Met al die factoren dient te worden rekening gehouden om te bepalen of de betrokkene zijn recht op toegang heeft genoten en of zijn zaak door een rechtbank is gehoord (EHRM, Kreuz t. Polen, voormeld, § 60; Elinç t. Turkije, voormeld, § 72). Aldus kan het bedrag van de procedurekosten dat op het eerste gezicht niet groot blijkt, een aanzienlijke som uitmaken voor de betrokkene en voor hem een overdreven last vormen, zodat hij niet langer een concreet en daadwerkelijk recht op toegang tot een rechtbank geniet (EHRM, 18 november 2008, Serin t. Turkije, § 31; 2 februari 2010, Eyüp Akdeniz t. Turkije, § 25).”

Zie, in dezelfde zin:

Grondwettelijk Hof 13 februari 2020, nr. 22/2020, B.6.3 - B.6.4;

Grondwettelijk Hof 12 maart 2020, nr. 38/2020, B.5.4;

Grondwettelijk Hof 4 juni 2020, nr. 80/2020, B.4.3 – B.4.4    

Lees meer

Grondwettelijk Hof 13 november 2014, nr. 167/2014

"B.8.1. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut en kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden die zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van risico’s van rechtsonzekerheid (EHRM, 19 juni 2001, Kreuz t. Polen, § 54; 11 oktober 2001, Rodriguez Valin t. Spanje, § 22; 10 januari 2006, Teltronic CATV t. Polen, § 47).

B.8.2. Het feit dat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State is onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden leidt op zich bijgevolg niet tot een situatie die onbestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter.

B.9.1. De ontvankelijkheidsvoorwaarden mogen evenwel niet ertoe leiden dat het recht op toegang tot de rechter op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast; bovendien mogen de rechtbanken de procedureregels niet op een overdreven formalistische wijze toepassen (EHRM, 12 november 2002, Zvolský en Zvolská t. Tsjechische Republiek, § 47; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26; 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, §§ 27 en 28).

De verenigbaarheid van ontvankelijkheidsvoorwaarden en de toepassing ervan met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 70)."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 12 februari 2015, nr. 17/2015

"B.5.1. Het recht op toegang tot de rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd. Dat recht kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot een rechter. Op zich doet de invoering van een rolrecht geen afbreuk aan dat recht, voor zover geen excessieve last wordt opgelegd aan een procespartij (EHRM, 3 juni 2014, Harrison McKee t. Hongarije, §§ 27- 28).

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de vereiste van een niet onevenredig kostbare procedure, bedoeld in artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen, onverlet laat, voor zover het bedrag ervan redelijk is en de door de betrokken partij gedragen kosten globaal gezien niet buitensporig hoog zijn (HvJ, 11 april 2013, Edwards en Pallikaropoulos , C-260/11, punt 26; 13 februari 2014, Commissie t. Verenigd Koninkrijk , C -530/11, punt 44). Het staat volgens het Hof van Justitie aan de rechter die zich uitspreekt over een geschil dat onder het toepassingsgebied van het Verdrag van Aarhus valt, om erover te waken dat de procedure voor de verzoekende partijen niet onevenredig kostbaar is, rekening houdend met zowel het belang van de persoon die zijn rechten wil verdedigen als het algemeen belang bij milieubescherming (Edwards en Pallikaropoulos, punt 35; Commissie t. Verenigd Koninkrijk , punt 45).

Daarbij mag de rechter zich niet uitsluitend op de economische situatie van de verzoeker baseren, maar moet hij eveneens een objectieve analyse maken van het bedrag van de kosten. Voorts kan hij rekening houden met de situatie van de betrokken partijen, de redelijke kans van slagen van de verzoeker, het belang dat voor de verzoeker en voor de bescherming van het milieu op het spel staat, de complexiteit van het toepasselijke recht en van de toepasselijke procedure, het eventueel roekeloze karakter van de verschillende beroepsstadia en het bestaan van een nationaal stelsel van rechtsbijstand of een regeling tot beperking van de proceskosten ( Edwards en Pallikaropoulos , punt  46; Commissie t. Verenigd Koninkrijk , punt 49).

De omstandigheid dat de betrokkene er in de praktijk niet van is weerhouden om een rechtsvordering in te stellen, volstaat evenwel op zich niet om ervan uit te gaan dat de procedure voor hem niet buitensporig kostbaar is ( Edwards en Pallikaropoulos , punt 47; Commissie t. Verenigd Koninkrijk , punt 50).

B.5.2. Het bestreden rolrecht is verschuldigd per verzoeker. Bijgevolg geeft een collectief verzoekschrift, ingediend door alle leden van een feitelijke vereniging, aanleiding tot het betalen van een rolrecht van 175 of 100 euro, vermenigvuldigd met het aantal verzoekers.

Die keuze van de decreetgever doet evenwel geenszins afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter, vermits elke individuele verzoeker slechts 175 of 100 euro verschuldigd is, net zoals wanneer hij een individueel verzoekschrift zou hebben ingediend."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 23 april 2015, nr. 44/2015

"B.43.3. Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd, kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot een rechter.

B.43.4. Uit artikel 31, § 1, van de bestreden wet blijkt dat met een eenvoudig verzoekschrift beroep kan worden ingesteld bij de politierechtbank of de jeugdrechtbank. Het verzoekschrift bij de jeugdrechtbank is kosteloos. Voor het indienen van een verzoekschrift bij de politierechtbank is een rolrecht verschuldigd. Daarnaast kan de verzoeker, indien het beroep wordt afgewezen, worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding en, in uitzonderlijke gevallen, tot het betalen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

Een regeling die de kosten ten laste van een van de partijen legt, doet op zich geen afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter. Bovendien kunnen rechtzoekenden in een procedure voor de rechtbank in voorkomend geval een beroep doen op de regeling van de rechtsbijstand, waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet.

Het blijkt niet dat de toegang tot een rechter op onevenredige wijze wordt belemmerd.

[…]

B.60.2. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

B.60.3. Die grondwetsbepaling verhindert niet dat de wetgever de burgemeester de bevoegdheid verleent om een administratieve politiemaatregel te nemen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, kent de bestreden bepaling de burgemeester geen bevoegdheden toe die zijn voorbehouden aan de rechterlijke macht.

B.60.4. Bovendien staan, bij gebrek aan een afwijkende bepaling in de wet van 24 juni 2013, een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing open tegen die beslissing bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 18 januari 2018, nr. 2/2018

“B.5.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 64).

B.5.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden.”

Zie, in dezelfde zin:

Grondwettelijk Hof 29 oktober 2015, nr. 155/2015, B.7.1-B.7.2;

Grondwettelijk Hof 18 februari 2016, nr. 27/2016, B.7.1-B.7.2;

Grondwettelijk Hof 19 juli 2018, nr. 92/2018, B.9.2 – B.9.4;

Grondwettelijk Hof 14 februari 2019, nr. 22/2019, B.6;

Grondwettelijk Hof 16 mei 2019, nr. 67/2019, B.6 – B.7.2

Lees meer

Grondwettelijk Hof 27 januari 2016, nr. 13/2016

"B.17.3. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel.

Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt voor personen van wie de rechten en vrijheden vermeld in dat Verdrag zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie.

Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut en kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden die zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van risico's van rechtsonzekerheid (EHRM, 19 juni 2001, Kreuz t. Polen, § 54; 11 oktober 2001, Rodriguez Valin t. Spanje, § 22; 10 januari 2006, Teltronic CATV t. Polen, § 47).

Het feit dat de in de bestreden artikelen 5 en 7 bedoelde vorderingen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden leidt op zich niet tot een situatie die onbestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter.

B.17.4. De ontvankelijkheidsvoorwaarden mogen evenwel niet ertoe leiden dat het recht op toegang tot de rechter op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast; bovendien mogen de rechtbanken de procedureregels niet op een overdreven formalistische wijze toepassen (EHRM, 12 november 2002, Zvolský en Zvolská t. Tsjechische Republiek, § 47; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26; 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, §§ 27 en 28).

De bestaanbaarheid van ontvankelijkheidsvoorwaarden en de toepassing ervan met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 70).

B.17.5. De specifieke kenmerken, de toename en het dringend karakter van de geschillen die zijn ontstaan uit de toepassing van de wet van 15 december 1980 verantwoorden de goedkeuring van bijzondere regels die geschikt zijn om de behandeling van de beroepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te versnellen.

Uit de totstandkoming van de bestreden bepalingen blijkt dat de wetgever de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft gewijzigd teneinde de betrokkenen een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen. Hij heeft evenwel tegelijk de dilatoire aanwending van die procedure willen tegengaan, omdat zij een grote druk legt op de werking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Die voorwaarden zijn cumulatief : het dient om een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel te gaan; de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient manifest laattijdig te zijn, dat wil zeggen dat zij moet zijn ingediend meer dan vijf dagen na de kennisgeving van de in het geding zijnde beslissing (artikel 39/57, § 1, van de wet van 15 december 1980); de vordering moet zijn ingediend minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel; de verzoeker en in voorkomend geval zijn advocaat moeten minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel zijn ingelicht.

De bestreden bepalingen, waarin de voormelde stringente voorwaarden zijn opgenomen waaraan dient te zijn voldaan om een versnelde procedure – zonder zitting - te kunnen toepassen, kunnen redelijkerwijze niet worden geacht het recht op toegang tot de rechter aan te tasten. Zij laten de betrokken rechter immers toe een vordering die manifest laattijdig werd ingediend, in voorkomend geval toch ontvankelijk te verklaren.

B.17.6. Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden bepalingen niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De toetsing van de bestreden bepalingen aan de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de overige in het middel vermelde referentienormen en algemene beginselen, leidt niet tot een andere conclusie.

[…]

B.19.3. In de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vermag de wetgever in korte termijnen te voorzien, die inherent zijn aan dat soort van procedure. Zulke termijnen kunnen voordelig zijn voor zowel de betrokken vreemdeling die snel een beslissing over zijn vordering verkrijgt als voor de overheid die een effectief terugkeerbeleid moet kunnen voeren. Dat geldt des te meer wanneer het gaat, zoals te dezen, om een vordering tegen een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is.

Het Hof heeft in B.12 van zijn arrest nr. 1/2014 geoordeeld, dat wanneer de wetgever een snelle behandeling nastreeft, « dat doel zou kunnen worden bereikt door […] de termijnen voor het instellen van het beroep met volle rechtsmacht in te korten ».

B.19.4. Zoals in B.17.3 is vermeld, kan het recht op toegang tot de rechter aan ontvankelijkheidsvoorwaarden worden onderworpen.

B.19.5. Volgens de verzoekende partijen zouden de termijnen van tien respectievelijk vijf dagen waarin de bestreden bepalingen voorzien te kort zijn, wat een schending zou inhouden van de aangehaalde grondwetsbepalingen, in samenhang met onder meer artikel 47 van het Handvest, met artikel 46 van de Herschikte Procedurerichtlijn en met artikel 27 van de verordening (EU) nr. 604/2013.

Luidens artikel 47, lid 2, van het Handvest heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een « redelijke termijn ».

[…]

De voormelde internationaalrechtelijke bepalingen houden enkel in dat « redelijke » termijnen dienen te worden gehanteerd.

B.19.6. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 februari 2014, S.J. t. België, leiden de verzoekende partijen af dat hoe dan ook een termijn van vijf dagen te kort zou zijn.

In dat arrest heeft het Europees Hof evenwel geen minimumtermijn bepaald, maar heeft het aanbevolen in een « voldoende » termijn (« un délai suffisant ») te voorzien (EHRM, 27 februari 2014, S.J. t. België, § 153).

B.19.7. Rekening houdend met het spoedeisende karakter dat de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kenmerkt, kunnen de termijnen van tien respectievelijk vijf dagen niet als onredelijk kort worden aangemerkt. Die termijnen zijn voldoende opdat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid redelijkerwijs als een daadwerkelijk rechtsmiddel kan worden beschouwd.

B.19.8. Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden bepalingen niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47, lid 2, van het Handvest en met artikel 46, lid 4, van de Herschikte Procedurerichtlijn."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 2 juni 2016, nr. 83/2016

"B.19. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

Die bepaling waarborgt het recht op toegang tot de bij de wet in gestelde rechter.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt evenzeer het recht op toegang tot een rechter voor geschillen over burgerlijke rechten en verplichtingen en bij het vaststellen van de gegrondheid van een strafvervolging.

B. 20 . Die grondwets- en verdragsbepalingen staan er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie binnen het kader van zijn beleid inzake de opsporing en de vervolging bedoeld in artikel 151, § 1, van de Grondwet, de discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet een voorstel tot minnelijke schikking te doen of om al dan niet op een voorstel daartoe van de inverdenkinggestelde in te gaan.

B. 21 . Een inverdenkinggestelde beschikt niet over het recht om een minnelijke schikking af te dwingen. Het feit dat, wanneer het openbaar ministerie weigert in te gaan op diens voorstel daartoe, het niet verplicht is voor die houding verantwoording af te leggen, noch die weigering aan het oordeel van een rechter voor te leggen, doet geen afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Immers, bij ontstentenis van een minnelijke schikking wordt de strafvordering voortgezet en wordt de zaak behandeld door de krachtens de wet bevoegde rechter."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 16 juni 2016, nr. 93/2016

"B.6.2. […]

Aan het recht op toegang tot de rechter kan eveneens afbreuk worden gedaan door ontvankelijkheidsvoorwaarden die onvoldoende duidelijk en coherent zijn (EHRM, 15 december 2015, Raihani t. België, § 34). Bovendien zijn de vereisten van een « eerlijk proces » strikter in strafzaken (EHRM, 26 juni 2012, Ghirea t. Moldavië, § 3 4).

B.6.3. Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd, kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot een rechter.

Het recht op toegang tot de rechter dient evenwel op een niet - discriminerende wijze te worden gewaarborgd (zie arrest nr. 74/2014 van 8 mei 2014, B.12.2).

B.6.4. Door de mogelijkheid om het beschikbare rechtsmiddel in te stellen door middel van een verklaring afgelegd aan de directeur van de gevangenis of aan diens gemachtigde, voor te behouden aan de gedetineerden die tegen een vonnis hoger beroep wensen aan te tekenen of tegen een vonnis of een arrest een cassatieberoep wensen in te stellen , en diezelfde mogelijkheid uit te sluiten voor de gedetineerden die verzet wensen aan te tekenen tegen een vonnis van de correctionele rechtbank waarbij zij bij verstek correctioneel zijn veroordeeld, heeft de wetgever zonder redelijke verantwoording afbreuk gedaan aan het recht op gelijke toegang tot de rechter."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 23 februari 2017, nr. 27/2017

"B.16. Uit dat arrest volgt dat het Hof van Justitie van oordeel is dat de specifieke kosten die het gevolg zijn van de heffing van 21 % btw over de diensten van advocaten op zich geen afbreuk doen aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien « rechtzoekenden die geen recht op rechtsbijstand hebben, […] worden geacht te beschikken over middelen die volgens de relevante nationaalrechtelijke bepalingen toereikend zijn om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat » (punt 28). Het Hof is van oordeel dat die heffing « op zichzelf » geen « onoverkomelijk obstakel » vormt « voor de toegang tot de rechter » of « de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk » maakt (punt 36). Het Hof wijst daarenboven erop dat het geldelijke voordeel verschaft aan btw-plichtige rechtzoekenden ten opzichte van niet-btw-plichtige rechtzoekenden geen afbreuk kan doen aan het procedurele evenwicht tussen de partijen (punt 43).

B.17. De bestreden bepaling sluit rechtstreeks aan bij de richtlijn 2006/112/EG, waarvan het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat zij niet strijdig is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat de door de verzoekende partijen aangevoerde rechten uitdrukkelijk verankert. Anders dan de verzoekende partijen beweren, zijn er te dezen geen redenen die het Hof tot een ander besluit zouden kunnen brengen wat de toetsing van de bestreden bepaling aan de aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen betreft.

B.18. Hoewel de kosten verbonden aan de bestreden bepaling op zich niet de oorzaak zijn van de door de verzoekende partijen aangevoerde aantasting van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van de wapengelijkheid, hebben zij niettemin tot gevolg de financiële last verbonden aan de uitoefening van die rechten te verzwaren. De wetgever dient bijgevolg daarmee rekening te houden wanneer hij andere maatregelen neemt die de kosten van de gerechtelijke procedures kunnen verzwaren. Hij dient immers erover te waken het recht op toegang tot de rechtscolleges voor bepaalde rechtzoekenden niet op zodanige wijze te beperken dat dat recht daardoor in zijn essentie wordt aangetast. Hij dient ook rekening te houden met de relatieve wapenongelijkheid die het gevolg is van de bestreden bepaling, om in voorkomend geval de regels met betrekking tot de rechtsbijstand aan te passen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op de bijstand van een advocaat van de rechtzoekenden die, gelet op de reële kosten van de procedure, niet over middelen beschikken die toereikend zijn om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. In het in B.14 aangehaalde arrest doet het Hof van Justitie dienaangaande opmerken dat « gesteld dat de heffing van btw over diensten van advocaten in de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval op zichzelf een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter zou opwerpen, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk zou maken, […] daarmee rekening [dient] te worden gehouden door een passende invulling van het recht op rechtsbijstand in de zin van artikel 47, derde alinea, van het Handvest » (punt 37)."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 16 maart 2017, nr. 35/2017

“B.5.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69, 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 64).

B.5.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden.

Bovendien « dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden » (EHRM, 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26). « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Gunes t. Turkije, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 66).

Het recht op toegang tot de rechter is met name geschonden indien aan een procespartij een excessief formalisme wordt opgelegd in de vorm van een termijn waarvan de inachtneming afhankelijk is van omstandigheden buiten zijn wil (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, §§ 27-28).”

Zie, in dezelfde zin:

Grondwettelijk Hof 17 maart 2016, nr. 44/2016, B.5.1 – B.5.3;

Grondwettelijk Hof 22 april 2021, nr. 62/2021, B.4.1

Lees meer

Grondwettelijk Hof 22 september 2016, nr. 122/2016

“B.4.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt niet het recht op een dubbele aanleg. Behalve in strafzaken bestaat er bovendien geen algemeen beginsel dat een dergelijke waarborg inhoudt.