Wetshistoriek

Gewijzigd bij de grondwetsherziening van 24 oktober 2017 (BS 29 november 2017).

Lees meer

Parlementaire voorbereiding

Parlementaire voorbereiding van de wijzigingen aangebracht bij de herziening van artikel 12 van de Grondwet van 24 oktober 2017

Voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr.  54-2611/1 

Blz. 3:

"In de twee meest recente Verklaringen tot herziening van de Grondwet (BS van 7 mei 2010 en BS van 28 april 2014) werd artikel 12, derde lid, van de Grondwet tot herziening vatbaar verklaard: 

“Herziening van artikel 12, derde lid, van de Grondwet, om de Europese rechtspraak in verband met de bijstand door een advocaat vanaf het eerste verhoor na te leven.” 

De Belgische Grondwet voorziet in artikel 12, derde lid, dat buiten de gevallen van ontdekking op heterdaad niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren. 

Ten tijde van de besprekingen van de zogenaamde “Salduz-wet” van 13 augustus 2011, werd de kwestie van de verlenging van de termijn tijdens dewelke een verdachte niet kan worden vastgehouden zonder tussenkomst van een rechter, meermaals aangehaald. Tijdens deze besprekingen is gebleken dat de verplichting tot garantie van de bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor en de eerste verschijning voor de onderzoeksrechter geen evidentie is in het korte tijdsbestek van vierentwintig uren. Niet zelden dient ook een beroep gedaan te worden op een tolk. 

Daarnaast is er ook de steeds toenemende complexiteit van de strafzaken, die steeds meer tijd vergen om de verzamelde aanwijzingen te analyseren en al dan niet te bevestigen. 

In het kader van de verschillende vormen van criminaliteit zorgt een langere termijn voor een dynamische en algemene aanpak, waarbij tegelijk verschillende individuen kunnen worden aangehouden en geconfronteerd met de verklaringen van de anderen en met het tijdens een tussenkomst aangetroffen materiaal. 

Bovendien wordt de magistraat in deze korte tijdspanne geconfronteerd met de noodzaak om een beslissing te nemen die voortvloeit uit een onderzoek à charge en à décharge. 

Het kan ook gebeuren dat de rechter over meer tijd wil beschikken om te kunnen beslissen of een aanhoudingsbevel zal worden uitgevaardigd dan wel of er een vrijheid onder voorwaarden zal worden toegekend.

Teneinde in de context van de bijstand van een advocaat hier een antwoord op te kunnen bieden, heeft de wetgever, bij de zogenaamde “Salduz-wet” van 13 augustus 2011, een artikel 15bis ingevoerd in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis teneinde de onderzoeksrechter in bijzondere omstandigheden de mogelijkheid te geven om op vordering van de procureur des Konings of ambtshalve de vrijheidsbeneming te verlengen met een duur van maximum vierentwintig uren. Deze verlenging vereist echter een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter, wat in de praktijk moeilijk toe te passen blijft. 

De voorgestelde wijziging van 24 uren naar 48 uren betekent dat dit rechterlijk bevel tot verlenging geen reden tot bestaan meer heeft en wordt afgeschaft. De wet van 20 juli 1990 zal dus in die zin worden aangepast (zie document nr. 54 2612/001). 

Ons land wordt, net als alle andere landen van de Europese Unie, geconfronteerd met een toename van de zware delinquentie en de georganiseerde misdaad. Deze situatie wordt nog verergerd door de opkomst van het terrorisme, dat ons heeft getroffen onder andere in het Joods museum in Brussel en tijdens de twee aanslagen van 22 maart 2016 in Brussel. De verschrikkelijke terroristische aanslagen in Europa herinneren ons eraan hoe moeilijk het is om wettelijk bewijzen te verzamelen, om te waken over de bescherming van onze burgers en tegelijk de bescherming van de mensenrechten te waarborgen. Deze situatie noopt België er dan ook toe de, onder meer juridische, instrumenten die ter beschikking staan, te versterken om efficiënt te kunnen strijden tegen het terrorisme en alle andere vormen van criminaliteit. 

De wijziging van artikel 12, derde lid, van de Grondwet om de termijn van 24 naar 48 uren te verlengen, is een van de maatregelen die werden aangenomen om deze doelstelling te bereiken. 
Er moet ook gewezen worden op de conclusies van de hoorzittingen van de tijdelijke commissie “strijd tegen terrorisme” die door de Kamer werd opgericht na de aanslagen in Parijs op 13 november 2015, om onder meer de wijziging van de termijn van 24 uren voor de aanhouding van een verdachte zonder tussenkomst van een rechter te onderzoeken. 

Uit deze conclusies is onder meer gebleken dat: 

— de termijn van 24 uren als voorzien in artikel 12, derde lid, van de Grondwet, te kort is voor terroristische en andere zware misdrijven, gelet op de complexiteit van de vereiste onderzoeken, en dat die termijn op 48 uren moet worden gebracht;

— de procedure van de verlenging van de termijn van 24 uren volgens de modaliteiten van de zgn. “Salduzwet” (art. 15bis) overdreven zwaar is wat de motivatie van het bevel van de rechter betreft, en dus niet werkbaar in de rechtspraktijk; 

— de grondwettelijke rechten en vrijheden effectief door de Grondwet moeten worden gewaarborgd en de aanhoudingstermijn zoveel mogelijk moet worden beperkt. 

Onderhavig voorstel voorziet derhalve dat: 

— de termijn van 24 uren als voorzien in artikel 12, derde lid, van de Grondwet op maximum 48 uren wordt gebracht voor alle inbreuken; 

— een vrijheidsberoving ten gevolge van aanwijzingen van strafbare feiten niet langer kan duren dan 48 uren, tenzij binnen die termijn een rechter beslist een bevel tot aanhouding uit te vaardigen en deze betekent aan de verdachte. Dat houdt in dat een verdachte niet langer dan 48 uren in een politiecel kan worden opgesloten op beslissing van de procureur des Konings. Indien de vrijheidsberoving voor het strafonderzoek en de -vervolging verder nodig is, dient de rechter de persoon aan te houden via een bevel tot aanhouding in het kader van de voorlopige hechtenis waarvoor de detentie plaats vindt in een gevangenis, of desgevallend in elektronisch toezicht. Dit bevel dient binnen de 48 uren betekend te worden. 

Het nieuwe derde lid van artikel 12 van de Grondwet geeft dus duidelijk aan dat geen enkele uitzondering, zelfs bij wet, op de algemene regel van achtenveertig uren mogelijk zal zijn. Immers uit de nieuwe bewoordingen is duidelijk te begrijpen dat binnen de 48 uren na de arrestatie het bevel tot aanhouding vanwege de rechter strekkende tot voorlopige inhechtenisneming moet zijn betekend. Een bevel tot verlenging van de arrestatietermijn van maximum 48 uren, onder verantwoordelijkheid van de procureur des Konings, is voortaan uitgesloten. 

Dit voorstel wil dus tegemoetkomen aan de bekommernissen die werden geformuleerd ter gelegenheid van de parlementaire werkzaamheden rond de zgn. “Salduz”-wet van 13 augustus 2011, waarbij de noodzaak werd aangehaald om elke verlenging van de termijn vooraf in de Grondwet in te schrijven, maar waaraan geen gevolg kon worden gegeven aangezien het artikel 12, derde lid, toen niet voor herziening vatbaar was verklaard. 

Het voorstel zal ook samen moeten worden gelezen met de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming. Deze richtlijn is omgezet in Belgisch recht door de wet van 21 november 2016, “Salduz-bis” genoemd. Zij moet België toelaten beter de rechten van de verdachte tijdens zijn vrijheidsberoving te waarborgen."

Blz. 7:

"VOORSTEL 

Enig artikel 

In artikel 12  van de Grondwet wordt het derde lid vervangen als volgt: 
“Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen de achtenveertig uren moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken.”."

Lees meer

Amendementen, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2611/2

Lees meer

Verslag namens de Kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2611/3

Blz. 4:

"II. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN

A. Voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet (DOC 54 2611/001)

De heer Francis Delpérée (cdH) zet de krachtlijnen uiteen van het voorliggende voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet. Hij legt uit dat de voorgestelde wijzigingen neerkomen op een grondwettelijke verankering van het beginsel dat men niet langer dan achtenveertig uur kan worden aangehouden zonder een rechterlijk en met redenen omkleed bevel.

De voorgestelde grondwetsbepaling heeft drie uitgangspunten:

1° de bepaling dient in klare en heldere bewoordingen vast te leggen wat de maximale aanhoudingstermijn kan zijn;

2° de bepaling moet, met het oog op het vermijden van discussies en complicaties omtrent de kwalificatie van de feiten waarvoor men aanhoudt, één termijn vastleggen die geldt voor alle misdrijven (dus geen onderscheid naar gelang het al dan niet om terroristische misdrijven gaat);

3° de maximale aanhoudingstermijn moet haalbaar zijn voor de betrokken overheden – d.w.z. dat de termijn moet volstaan voor politie en gerecht om de nodige daden te stellen – en moet tegelijk rekening houden met de rechten van de persoon die van zijn vrijheid wordt beroofd (rekening houdende met de Salduz-wetgeving en -rechtspraak en de fundamentele rechten en vrijheden in het algemeen).

Ten slotte wijst de spreker erop dat het door hem mede-ingediende voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet moet worden samengelezen met het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wat de termijn betreft (DOC 54 2612/001). Dat wetsvoorstel moet de mogelijkheid tot verlenging van de vrijheidsberoving, zoals bepaald in artikel 15bis van de voorlopige hechteniswet afschaffen. Die bepaling zal immers zinledig worden na aanneming van het voorliggende voorstel.

[…]

III. — ALGEMENE BESPREKING

De heer Peter De Roover (N-VA) onderschrijft het voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet niettegenstaande hij betreurt dat er geen tweederde meerderheid kon worden gevonden voor de aanneming van het voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet (DOC 54 2056/001) dat beter beantwoordde aan de noden van politie en gerecht.

De heer De Roover meent dat de grote meerwaarde van het voorliggende voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet erin bestaat dat de termijn van 24 uur wordt uitgebreid. Hij is verheugd vast te stellen dat er een ruime consensus is gegroeid rond een verlenging van deze termijn die moet toelaten om ingewikkelde criminaliteitsdossiers tot een goed einde te brengen. Overigens wijst hij erop dat België in vergelijking met het buitenland een buitenbeentje blijkt te zijn: in vele andere landen bedraagt de maximale aanhoudingstermijn meer dan vierentwintig uur.

Mevrouw Laurette Onkelinx (PS) betreurt dat er veel tijd is verloren gegaan ten gevolge van de obstinate houding van de meerderheidspartijen. Die hebben geen oor gehad naar de terechte opmerkingen en bezwaren die gemaakt zijn tijdens de bespreking van de eerder ingediende voorstellen tot herziening van artikel 12 van de Grondwet.

Los daarvan ondersteunt mevrouw Onkelinx een verlenging van de grondwettelijk bepaalde maximale aanhoudingstermijn tot achtenveertig uur.

De spreekster merkt wel op dat de voorgestelde wijziging op een aantal punten voor verbetering vatbaar is.

In de eerste plaats is zij van oordeel dat de nieuwe grondwetsbepaling moet kunnen waarborgen dat de onderzoeksrechter tijdens de periode van vrijheidsberoving tijdig kennis kan nemen van het dossier. Tijdens de hoorzittingen in de tijdelijke commissie Terrorismebestrijding is immers gebleken dat het nu dikwijls zo is dat de onderzoeksrechters vaak te laat – soms net voordat de aanhoudingstermijn verstrijkt – worden gevat, zodat ze onvoldoende tijd hebben om het dossier grondig te analyseren. De in het vooruitzicht gestelde grondwetswijziging dient daarmee rekening te houden.

In de tweede plaats wijst mevrouw Onkelinx erop dat de voorgestelde wijziging technisch-juridisch niet volledig op punt staat. De spreekster begrijpt dat het de bedoeling is om de vrijheidsberoving zonder tussenkomst van de rechter te beperken tot maximaal achtenveertig uur, maar de voorgestelde wijziging bepaalt niet op welk ogenblik deze termijn aanvangt.

Ten derde merkt de spreekster op dat de indieners blijkbaar uit het oog verloren zijn dat de onderzoeksrechter ook nog andere maatregelen kan treffen dan een voorlopige inhechtenisneming. Zo stipt mevrouw Onkelinx aan dat de onderzoeksrechter ook zou kunnen beslissen om de aangehoudene in vrijheid te stellen. Ook andere maatregelen zijn niet uitgesloten.

De tekst dient bijgevolg te worden aangepast.

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) betreurt dat de Kamer het voorliggende voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet urgent heeft verklaard. Het is ongepast grondwetswijzigingen op een drafje door het Parlement te jagen. Een dergelijke werkwijze heeft veel weg van een noodwet en dat kan niet de bedoeling zijn. Ingrijpende wijzigingen als deze die worden voorgesteld verdienen een grondige analyse en moeten met de nodige voorzichtigheid worden benaderd.

De heer Van Hecke herhaalt het standpunt van zijn partij. Die kan in de eerste plaats niet instemmen met een verlenging van de aanhoudingstermijn tot tweeënzeventig uur. In de tweede plaats moet de onderzoeksrechter de nodige tijd ter beschikking staan om het betrokken dossier tijdig te kunnen analyseren.

Hoewel het ter bespreking voorliggende voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet een bevredigende oplossing biedt op het stuk van de termijn (die wordt beperkt tot achtenveertig uur), schiet het tekort op het tweede punt van de opmerking van de heer Van Hecke. De voorgestelde tekst lijkt niet te kunnen vermijden dat de onderzoeksrechter pas in extremis op de hoogte wordt gesteld van het dossier.

De onderzoeksrechters die tijdens de hoorzittingen in de tijdelijke commissie Terrorismebestrijding het woord hebben gevoerd, hebben nochtans aangetoond dat er beter wordt voorzien in waarborgen voor een tijdige kennisneming van het dossier. De spreker herinnert eraan dat zijn partij een wetsvoorstel had ingediend dat daaraan tegemoet komt (wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wat betreft de voorwaarden voor de verlenging van de arrestatietermijn, DOC 54 1788/001 dat strekt tot een vereenvoudiging van artikel 15bis van de Voorlopige Hechteniswet) en dat dient te worden samen gelezen met het voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet teneinde een verlenging van de aanhoudingstermijn tot achtenveertig uren mogelijk te maken (DOC 54 1712/001). De spreker merkt ook op dat de door zijn partij voorgestelde oplossing de goedkeuring kon wegdragen van de advocatenordes en professor Damien Vandermeersch. Voor de heer Van Hecke is het essentieel dat de onderzoeksrechter tijdig op de hoogte kan zijn.

Overigens vestigt de spreker er de aandacht op dat de internationale mensenrechtenstandaarden vereisen dat de vrijheidsberoving (zonder rechterlijke tussenkomst) tot een minimum wordt beperkt. Dat is trouwens logisch, gelet op de potentieel zware impact ervan op het leven van de aangehoudene.

In elk geval denkt de heer Van Hecke dat het nodig zal zijn om de toepassing van een nieuwe regeling grondig te evalueren na verloop van tijd.

Ten slotte sluit de spreker zich aan bij de opmerkingen die gemaakt zijn door de vorige spreekster met het oog op een verbetering van de voorgestelde tekst. Hij vraagt bovendien dat de indieners van het voorstel tot wijziging van artikel 12 van de Grondwet hun woordkeuze en de tekstopbouw verantwoorden. Het belang van de voorgestelde wijziging rechtvaardigt zijn vraag.

De heer Denis Ducarme (MR) repliceert dat de kwestie van de urgentverklaring van het voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet niet mag worden overschat. Het debat over de wijziging van de grondwettelijk bepaalde aanhoudingstermijn is helemaal niet nieuw; er werden hoorzittingen en lange besprekingen aan gewijd. Het gaat dus niet op om voor te houden dat men grondwetswijziging in zeven haasten wil doorvoeren.

Bovendien is hij van oordeel dat de voorstellen tot wijziging van deze bepaling die werden ingediend door Ecolo-Groen, PS en Défi een status quo of een achteruitgang zouden betekenen ten opzichte van de bestaande regeling. Daarom kan de heer Ducarme onmogelijk zijn instemming betuigen met de oplossingen die door deze partijen worden voorgesteld.

Voorts herinnert hij eraan waartoe in de tijdelijke commissie “Terrorismebestrijding” werd verzocht door actoren in het veld (politiediensten, College van procureurs-generaal, federaal procureur). Tevens verwijst hij naar het standpunt van verscheidene onderzoeksrechters, met name naar dat van de heer Van Linthout in de onderzoekscommissie “Aanslagen” en naar de verklaringen in de pers van mevrouw Panou (belast met het Brussels onderdeel van de aanslagen in Parijs). Die actoren worden geregeld geconfronteerd met almaar complexere onderzoeken, onder meer inzake terrorisme. België kan zich dus niet langer veroorloven in dit dossier te talmen, terwijl andere Europese landen werken met langere aanhoudingstermijnen.

De heer Hans Bonte (sp.a) vindt het, in navolging van eerdere sprekers, betreurenswaardig dat er kostbare tijd is verloren gegaan om artikel 12 van de Grondwet aan te passen aan de noden van een doeltreffende misdaadbestrijding. Zijn partij heeft de urgentverklaring ondersteund omdat zij aandringt op een spoedige oplossing en van oordeel is dat de voorgestelde oplossing getuigt van gezond verstand. Zij sluit naadloos aan bij de wens om de maximale aanhoudingstermijn te beperken tot achtenveertig uur en de verzuchtingen van de bevoegde instanties (in het bijzonder de onderzoeksrechters). Voorts is de heer Bonte tevreden dat deze maximale termijn niet wordt gedifferentieerd naar gelang van de feiten waarvoor men wordt aangehouden. Daarmee worden complicaties vermeden wanneer uiteindelijk zou blijken dat de oorspronkelijke kwalificatie niet zou overeenstemmen met de definitieve kwalificatie van het misdrijf.

De heer Bonte staat ook stil bij de uitspraken die de minister heeft gedaan naar aanleiding van de bespreking van het verworpen voorstel tot herziening van artikel 12 van de Grondwet (DOC 54 2056/001) tijdens de plenaire vergadering van 15 juni 2017. Daarin heeft de minister van Justitie verklaard dat men in Halle-Vilvoorde problemen heeft ervaren om personen binnen de vierentwintig uur voor te leiden. De spreker wijst er terzijde op dat dit elders soms ook het geval is. De heer Bonte denkt evenwel dat deze kwestie zou kunnen worden opgelost door Halle-Vilvoorde om te vormen tot een volwaardig gerechtelijk arrondissement met een eigen rechtbank en een volwaardig parket ondersteund door voldoende mensen en middelen. Daarmee zou de regering het bewijs leveren dat het haar menens is met een doeltreffende rechtsbedeling in deze regio. De heer Bonte dringt er ook op aan dat de regering voldoende middelen ter beschikking stelt opdat er voldoende celcapaciteit (die voldoet aan minimum kwaliteitsvereisten inzake faciliteiten en beveiliging) is in de politiezones.

De spreker treedt de bezorgdheid van de heer Van Hecke en mevrouw Onkelinx omtrent het laattijdig op de hoogte brengen van onderzoeksrechters. Anderzijds wijst hij erop dat er in sommige gevallen zonder veel inhoudelijke toetsing en nagenoeg bij wijze van administratieve formaliteit een verlenging van de aanhouding wordt toegestaan. In andere gevallen wordt er misschien sneller overgegaan tot een voorlopige hechtenis. Bovendien wordt aangestipt dat de Vereniging van onderzoeksrechters al publiekelijk heeft verklaard dat de verlenging van de grondwettelijk bepaalde maximale aanhoudingstermijn niet tot gevolg mag hebben dat de politie draalt met de behandeling van de betrokken dossiers. De onderzoeksrechters engageren zich om hierop toe te zien en bovendien wordt in het hoger geciteerde wetsvoorstel DOC 54 2612/001 voorzien in een evaluatie van de toepassing van de nieuwe regeling.

Tot slot betuigt de heer Bonte nogmaals zijn steun aan de voorgestelde grondwetswijziging.

Mevrouw Carina Van Cauter (Open Vld) beklemtoont hoe moeilijk het is het recht op zekerheid (wellicht de meest fundamentele vrijheid) in balans te brengen met de noodzaak eenieders fysieke veiligheid te garanderen, nu de dreiging van terrorisme en grote criminaliteit almaar groter wordt. Het is duidelijk dat de taken van de politiediensten en van de onderzoeksrechters thans complexer zijn dan ze allicht in de 19e eeuw waren, aangezien de rechten van verdediging aanmerkelijk werden versterkt en zowel de terroristische dreiging als de grote criminaliteit grensoverschrijdende fenomenen zijn. Een vrijheidsberoving van amper 24 uur is vandaag niet langer houdbaar in zaken van zware criminaliteit.

In het veld zijn alle actoren het erover eens dat het noodzakelijk is te voorzien in een langere grondwettelijk bepaalde termijn om iemand de vrijheid te benemen; er rijzen alleen moeilijkheden over de formulering en de wijze waarop dit beginsel zich tot andere vrijheidsberovingsprocedures verhoudt.

Het debat over de herziening van artikel 12, derde lid, van de Grondwet is vertroebeld geraakt door bijkomende overwegingen, met name door de discussie omtrent de administratieve aanhouding. Artikel 12, derde lid, van de Grondwet heeft betrekking op de vrijheidsbeneming bij en helemaal aan het begin van een strafrechtelijk onderzoek. De eventuele verlenging van die termijn zou geen enkel gevolg hebben voor de duur van de administratieve aanhouding, die in elk geval tot 24 uur beperkt blijft. Al evenmin heeft deze bespreking betrekking op andere, krachtens strafrechtsplegingsbepalingen bepaalde termijnen (zoals het bevel tot medebrenging).

De heer Veli Yüksel (CD&V) herinnert eraan dat in de tijdelijke commissie Terrorismebestrijding een consensus tot stand was gekomen om de in artikel 12, derde lid, van de Grondwet bedoelde termijn tot 48 uur te verlengen, waarbij de vele gehoorde sprekers (magistraten van de zetel en van het parket, vertegenwoordigers van de academische wereld enzovoort) in hun betoog hetzelfde standpunt verdedigden. Wat de inachtneming van het recht op persoonlijke zekerheid betreft, blijft België zelfs met een tot 48 uur verlengde termijn voorop staan bij de West-Europese landen: in veel Europese Staten gelden inzake vrijheidsberoving immers aanmerkelijk langere termijnen.

Hoewel men zich overduidelijk moet aanpassen aan de nieuwe situatie met terreurdreiging, kan de meerderheid niet worden verweten dat ze ondoordacht heeft gehandeld, want aan de bespreking is een brede raadpleging van alle betrokken actoren voorafgegaan. Sommige leden hebben aangegeven te vrezen dat de algemene verlenging van de aanhoudingstermijn tot 48 uur speurders en magistraten ertoe zal aanzetten de verdachten systematisch en onterecht gedurende die volledige tijdspanne van hun vrijheid te beroven. Aldus wordt eerst en vooral de realiteit van hun werk miskend; ook gaan die leden eraan voorbij dat de verlenging van de termijn zelfs een positief gevolg kan hebben, want zoals een vertegenwoordiger van het Comité P tijdens de hoorzittingen heeft aangegeven, kan aldus worden voorkomen dat op de valreep wordt beslist een verdachte in verdenking te stellen en in voorlopige hechtenis te nemen, om te beletten dat men die persoon moet laten gaan omdat bepaalde aspecten door tijdsgebrek niet konden worden nagegaan. De inverdenkingstelling is echter een veel strengere dwangmaatregel dan de tijdelijke vrijheidsberoving, vooral wanneer die gepaard gaat met een voorlopige hechtenis.

Dit ter bespreking voorliggende voorstel tot herziening van de Grondwet laat geen ruimte voor interpretatie: het ligt in de bedoeling de in de Grondwet vervatte principiële regel, met een heel duidelijke draagwijdte, te wijzigen. Andere bepalingen inzake de strafrechtspleging, die eveneens de termijnen inzake vrijheidsberoving betreffen, houden geen direct verband met deze wijziging (bijvoorbeeld artikel 15bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, waarvan de opheffing vooral wordt overwogen omdat het in de praktijk niet werkt).

De heer Hans Bonte (sp.a) meent dat de opheffing van artikel 15bis van de voormelde wet van 20 juli 1990 niet wordt onderbouwd door overwegingen inzake de praktische toepassing ervan, maar omdat die opheffing een rechtstreeks gevolg is van de verlenging tot 48 uur van de grondwettelijk bepaalde termijn inzake vrijheidsberoving.

De minister van Justitie beperkt zich tot enkele opmerkingen aangaande de opportuniteit, om niet opnieuw dezelfde discussie over de principes als tijdens de plenaire vergadering te moeten voeren. Hij herinnert eraan dat in 2011 en 2016, met de wijzigingen die bij de Salduz- en de Salduz-bis-wet zijn aangebracht, voorzien is in een aanzienlijke versterking van de waarborgen die verdachten genieten, waardoor het vandaag veel moeilijker is een verdachte te ondervragen binnen 24 uur na zijn aanhouding. Om een verdachte te kunnen verhoren in omstandigheden die correct zijn en met de wettelijke voorschriften sporen, beschikken de speurders en de magistraten in de praktijk slechts over een tiental uur om een regulier aanhoudingsbevel uit te vaardigen, hetgeen tijd vergt.

Alleen al dat element rechtvaardigt de verlenging van de vrijheidsbenemingstermijn tot 48 uur, wat volstrekt redelijk is in vergelijking met de termijnen die in de ons omringende landen en elders in Europa worden toegepast.

Voorts moet voor ogen worden gehouden dat de speurders, wanneer het om terrorisme gaat, vaak worden geconfronteerd met veel verdachten (niet alleen de hoofdverdachten, maar ook de mensen in hun omgeving, al wie zich rondom hen beweegt enzovoort). Als men bijvoorbeeld alle mensen die bij parallel gehouden huiszoekingen worden aangetroffen, correct wil verhoren zonder tot nodeloze voorhechtenis te moeten beslissen, dan moeten de speurders enige tijd krijgen.

Tevens wil de minister bepaalde bekommeringen wegnemen die zijn ontstaan in verband met de interpretatie die aan artikel 12, derde lid, moet worden gegeven. Hoewel “aanhouden” in 1831 in deze context wellicht geen aanleiding tot verwarring gaf, zijn er sindsdien betekenissen aan gegeven die tot dubbelzinnigheid kunnen leiden: de wet van 20 juli 1990 hanteert hetzelfde begrip, terwijl het in werkelijkheid om de uitvaardiging van een aanhoudingsbevel gaat. Welke betekenis heeft “aanhouding” dan in de tekst van de Grondwet? In dat opzicht is er een zekere semantische verwarring.

De minister benadrukt dat een rechter in de praktijk – behalve in het geval van een bevel tot medebrenging, dat betrekking heeft op een verdachte die voortvluchtig is of zich verbergt – nooit een aanhoudingsbevel uitvaardigt vóór de vrijheidsberoving zoals de Grondwet die verstaat. In de praktijk houdt de politie een verdachte aan, die gedurende maximaal 24 uur van zijn vrijheid wordt beroofd; pas daarna, maar binnen die termijn, vaardigt de rechter eventueel een aanhoudingsbevel uit.

De tekst van het voorstel tot herziening wijzigt de formulering van artikel 12, derde lid, van de Grondwet, maar de betekenis blijft identiek: binnen de termijn van 48 uur waarin hij effectief van zijn vrijheid is beroofd, moet ofwel de verdachte opnieuw in vrijheid worden gesteld (met of zonder inverdenkingstelling, en met of zonder maatregelen van gerechtelijk toezicht), ofwel moet de onderzoeksrechter jegens die verdachte een met redenen omkleed bevel uitvaardigen dat hoe dan ook de voorlopige hechtenis tot doel moet hebben. De in het voorstel bedoelde termijn van 48 uur is even sterk verankerd als de huidige termijn van 24 uur; de meerderheid wou behalve die termijn niets wijzigen.

Mevrouw Laurette Onkelinx (PS) herinnert de heer Ducarme eraan dat tijdens de hoorzittingen van december in de onderzoekscommissie “Aanslagen”, de heer Philippe Van Linthout, voorzitter van de vereniging van onderzoeksrechters, heeft aangegeven geen voorstander te zijn van een te grote verlenging van de termijn van vrijheidsberoving; concreet stelde hij voor om de bedoelde termijn op 48 uur te brengen. Voorts beval hij aan om geen aparte termijnen te hanteren naargelang het soort misdrijf. Een termijn van 48 uur leek hem gepast om alle nodige handelingen te kunnen verrichten, maar een termijn van 72 uur vond hij te lang.

Zoals bekend wou de meerderheid eerst een maximalistisch spoor volgen, alvorens met dit voorstel terug te keren naar iets evenwichtigers. De spreekster herinnert aan de strekking van de door haar fractie ingediende amendementen en aan de oproep van vertegenwoordigers van de onderzoeksrechters om het voorstel van de meerderheid te verfijnen. Het gaat er gewoon om de onderzoeksrechters de instrumenten te geven die ze zelf vragen:

— in plaats van één nieuwe eenvormige termijn van 48 uur in te stellen, de onderzoeksrechter de mogelijkheid bieden de eerste termijn van vrijheidsberoving één enkele keer, middels een met redenen omkleed bevel, te verlengen met 24 uur (amendement nr. 1, DOC 54 2611/002);

— verduidelijken dat de aanhouding die het bevel tot voorlopige hechtenis voorafgaat, de termijn van 48 uur niet mag overschrijden (amendement nr. 2, DOC 54 2611/002);

— de woorden “bij de aanhouding” in de huidige tekst van de Grondwet behouden, aangezien het schrappen ervan onbegrijpelijk blijft (amendement nr. 3, DOC 54 2611/002).

Vanuit technisch oogpunt dankt de spreekster de minister dat hij de interpretatie die moet worden gegeven aan het voorgestelde artikel 12, derde lid, heeft verduidelijkt. Volgens de minister worden de woorden “bij de aanhouding” geschrapt omdat de formulering voorbijgestreefd zou zijn, maar hij bevestigt dat een eventuele beslissing tot vrijheidsberoving (en dus tot plaatsing in voorlopige hechtenis) wel degelijk moet worden genomen binnen een termijn van 48 uur vanaf de daadwerkelijke vrijheidsberoving (dus vanaf de aanhouding). Als de nieuwe tekst van de Grondwet op die manier moet worden geïnterpreteerd, had men een duidelijker formulering mogen verwachten.

De heer Denis Ducarme (MR) verwijst naar de precieze strekking van de woorden van de door de vorige spreekster geciteerde voorzitter van de vereniging van onderzoeksrechters, de heer Philippe Van Linthout, tijdens de hoorzitting van 12 december 2016 in de onderzoekscommissie “Aanslagen”: “De brug die ik heb horen maken, dat er in de 72 uur een soort rechterlijke controle zou zijn, daar kan ik persoonlijk mee leven. Dat wil zeggen dat men d’office van 48 uur uitgaat, maar dat bijvoorbeeld voor terrorismezaken, waar men echt kan aantonen dat men wacht op informatie uit Frankrijk, Nederland of Hongarije, de rechter al een toets kan doen, nadat er goed is doorgewerkt, en dat men er dan 24 uur extra kan bijplakken. Dat is een hypothese die ik wel mooi vind”. Hij heeft dus wel degelijk aangegeven dat hij “kan leven” met een termijn van vrijheidsberoving van 72 uur.

De heer Francis Delpérée (cdH) vindt dat amendement nr. 1 van mevrouw Onkelinx radicaal afwijkt van de strekking van het meerderheidsvoorstel: 24 uur die eventueel met 24 uur wordt verlengd bij een met redenen omkleed bevel, is niet hetzelfde als 48 uur.

De precisering die mevrouw Onkelinx met amendement nr. 2 aanbrengt, maakt al impliciet deel uit van de tekst van het meerderheidsvoorstel: ondanks de korte bewoordingen spreekt het voor zich dat de vrijheidsbeneming loopt vanaf het moment van de aanhouding.

Tot slot hebben sommige sprekers gewezen op bepaalde specifieke procedurele aspecten, zoals de verwittiging aan de onderzoeksrechter in de eerste periode van 24 uur. Dat zijn evenwel aangelegenheden die bij bijzondere wet dienen te worden geregeld, en niet in de tekst van de Grondwet.

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) vindt dat de tot dusver gegeven uitleg geen garantie biedt dat de vrijheidsbenemingen niet langer zullen duren dan nodig. Men stelt dat speurders en magistraten de volle 48 uur heel omzichtig zullen aanwenden, maar er wordt daartoe geen enkele waarborg gegeven.

De spreker wijst erop dat de magistraten in de praktijk vóór de effectieve vrijheidsbenemingen voorleidingsmandaten uitvaardigen. In de nieuwe formulering van artikel 12, derde lid, van de Grondwet, wordt daar geen melding van gemaakt.

Ook de heer Olivier Maingain (DéFI) vindt dat in de tekst nog waarborgen moeten worden opgenomen om ervoor te zorgen dat de termijn van 48 uur in de feiten niet zal worden overschreden alvorens eventueel een beslissing tot vrijheidsbeneming te nemen. Zoals de tekst nu is opgesteld, wordt immers het risico gecreëerd van een “verborgen” periode van vrijheidsbeneming, die geen deel zou uitmaken van de bedoelde termijn van 48 uur.

Men dient voorts te bevestigen dat de bevoegdheid om een arrestatiebevel uit te vaardigen alleen de onderzoeksrechter toekomt, en niet de parketmagistraten, zoals sommigen overwegen.

Mevrouw Carina Van Cauter (Open Vld) meent dat men een onderscheid moet maken tussen de voorlopige hechteniswet op zich en het artikel 12 van de Grondwet, zoals het zal worden aangepast.

Thans wordt gezegd dat de termijn van vrijheidsberoving, onder gelijk welke vorm, minder dan 48 uur moet bedragen, behalve in het geval dat aan de betrokkene, in het kader van de voorlopige hechteniswet, een met redenen omkleed aanhoudingsbevel wordt betekend.

Om nu van 24 uur naar 48 uur te gaan in de Grondwet, moet onder meer het artikel 15bis worden opgeheven en zal er moeten worden nagedacht over de beste wijze om de voorlopige hechteniswet aan te passen. De wetgever zal dat kunnen doen, maar daarvoor moet eerst artikel 12 worden aangepast, zodat het duidelijk is binnen welk tijdsbestek men moet denken. Dan zal de aanpassing van de voorlopige hechteniswet zorgvuldig kunnen worden onderzocht en voorbereid.

Op dit moment moet men niet proberen te voorspellen in welke zin dat zal gebeuren en hoe de aanpassing er in detail zal uitzien, want dit zal grondig moeten worden uitgewerkt binnen de commissie Justitie, en de minister van Justitie zal hiertoe een gefundeerd voorstel formuleren.

De minister van Justitie wenst twee punten van angst weg te nemen, namelijk de angst dat er te lang zal worden gewacht met het vragen van het aanhoudingsbevel en de angst dat de politiecelcapaciteit niet zal volstaan. Voor die twee elementen voorziet het voorstel van gewone wet evaluaties, zowel door de minister van Justitie, voor wat de termijn voor het vragen van het aanhoudingsbevel betreft, als door de minister van Binnenlandse Zaken, voor wat de politiecelcapaciteit betreft.

Met betrekking tot de vraag over de voortvluchtigen, dus met betrekking tot artikel 16, paragraaf 2, antwoordt de minister dat het woord “aanhoudingsbevel” dubbel is gebruikt in de tekst, en dat de wet op dat punt dus moet worden opgekuist. Er bestaat immers een “aanhoudingsbevel” van de onderzoeksrechter om nietgemotiveerd een voortvluchtige tot stilstand te brengen. Daarnaast bestaat er dan, wanneer die voortvluchtige tot stilstand is gebracht, een tweede “aanhoudingsbevel” om hem in voorlopige hechtenis onder te brengen.

Het is dus niet zo dat men voortvluchtigen die het voorwerp uitmaken van het “aanhoudingsbevel” waarnaar de heer Van Hecke verwijst, meteen in voorlopige hechtenis onderbrengt. Voordat dit kan gebeuren, moet men de persoon verhoren en dan een tweede met redenen omkleed aanhoudingsbevel verstrekken. De minister meent dat men in die terminologie zuiverheid gaat moeten brengen.

In dat opzicht is wat er nu in de Grondwet zal worden veranderd, volledig neutraal. Door het gebruik van de woorden “na de vrijheidsberoving”, zal de term “aanhoudingsbevel” niet op ambigue wijze worden gebruikt.

Daarom ook geeft de minister de voorkeur aan het basisvoorstel van de verruimde meerderheid over artikel 12 omdat dit voorstel duidelijk is over wat de term “aanhoudingsbevel” inhoudt.

De minister denkt verder dat het voorstel over het bevel tot verlenging een goede vondst was, maar dat men de onduidelijkheid niet moet laten voortduren. Artikel 12, derde lid, van de Grondwet begint met de woorden “niemand kan worden aangehouden dan krachtens een (…) bevel”. Dat bevel mag geen betrekking hebben op de verlenging van de duur, het mag enkel zeggen dat men in voorlopige hechtenis is ondergebracht.

De minister weerlegt dus de herhaaldelijke beweringen van mevrouw Onkelinx. De onderzoeksrechter mag niet eender wat doen. Hij mag niet aanhouden, behalve krachtens een met redenen omkleed bevel dat enkel de voorlopige hechtenis als voorwerp mag hebben.

In verband met artikel 16, § 2, van de wet op de voorlopige hechtenis stelt de heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) vast dat men doorheen het artikel telkens de term “bevel tot aanhouding” gebruikt. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het eerste en het tweede bevel.

Betekent dat in de praktijk dat, wanneer er een bevel tot aanhouding wordt uitgevaardigd voor een voortvluchtige persoon, en deze persoon wordt opgepakt, hem dat bevel wordt betekend op het moment dat hij wordt opgepakt?

De minister antwoordt dat het bevel inderdaad op dat moment aan die persoon zal worden betekend.

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) vraagt zich af waarom de woorden “het bevel moet worden betekend bij de aanhouding” dan uit de Grondwet worden geschrapt.

De minister antwoordt dat deze woorden niet uit de Grondwet worden geschrapt. In de Grondwet stond dat het bevel tot aanhouding uiterlijk binnen de 24 uur moest worden betekend. Als men “bij de aanhouding” weglaat, dan kan die betekening nog steeds bij de aanhouding gebeuren. Die mogelijkheid wordt niet uitgesloten en blijft een alternatief.

De minister verduidelijkt dat hij bedenkingen heeft bij het gebruik van het woord “aanhoudingsbevel” in de Grondwet, omdat het ook een internationaal begrip is. Het woord is ambigu. Het is veel nauwkeuriger om te spreken van “vrijheidsberoving”.

De heer Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) vraagt of een voortvluchtige persoon tegen wie een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wanneer hij opgepakt wordt, nu misschien 24 of 48 uur zal moeten wachten voordat hij het eerste aanhoudingsbevel kan zien.

De minister antwoordt dat de vrijheidsberoving van de voortvluchtige persoon begint op het moment dat het aanhoudingsbevel hem fysiek wordt betekend, op het moment dat hij wordt opgepakt. Dat wordt niet uitgesloten door de huidige versie van artikel 12. Er moet vooral goed worden nagedacht over de terminologie, zodat men geen twee “aanhoudingsbevelen” met een andere betekenis gaan betekenen. Het zou misschien beter zijn om de voortvluchtige een ander type bevel tot aanhouding te verstrekken dan hetgeen dat hij nu krijgt.

De heer Stéphane Crusnière (PS) wenst nog te melden dat zijn fractie, tijdens de plenaire vergadering, symbolisch één onthoudingsstem zal uitbrengen om aandacht te vragen voor haar vraag om de onderzoeksrechter een mogelijkheid tot verlenging van de termijn voor betekening te verlenen.

IV. — BESPREKING VAN HET ENIG ARTIKEL EN STEMMINGEN

Mevrouw Laurette Onkelinx en de heer Stéphane Crusnière (PS) dienen amendement nr. 1 (DOC 54 2611/002) in, dat ertoe strekt het enig artikel in zijn geheel te vervangen door de bepaling dat de onderzoeksrechter de termijn van vierentwintig uur één keer bij een met redenen omkleed bevel kan verlengen. Tijdens de algemene bespreking hebben de indieners aangegeven waarom deze regeling hun voorkeur wegdraagt.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 13 tegen 2 stemmen.

Mevrouw Laurette Onkelinx en de heer Stéphane Crusnière (PS) dienen amendement nr. 2 (DOC 54 2611/002) in, dat ertoe strekt het enig artikel inzake voorlopige hechtenis anders te formuleren. Bij de algemene bespreking hebben de indieners uitgelegd waarom de verwoording van dat voorgestelde artikel tot interpretatieproblemen zou kunnen leiden.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 13 tegen 2 stemmen.

Mevrouw Laurette Onkelinx en de heer Stéphane Crusnière (PS) dienen amendement nr. 3 (DOC 54 2611/002) in, dat ertoe strekt terug te gaan naar de huidige bewoording van de Grondwet, wat de betekening van het bevel van de rechter betreft. De indieners begrijpen immers niet meteen waarom de Grondwet op dit punt zou moeten worden herzien.

Rekening houdend met de algemene bespreking en met een amendement dat wordt aangekondigd, trekken de indieners amendement nr. 3 evenwel in.

De heren Stefaan Van Hecke en Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen) dienen amendement nr. 4 (DOC 54 2611/002) in, dat ertoe strekt de voorgestelde bepaling beter te formuleren. De voorlopige inhechtenisneming wordt niet meer vermeld en er wordt duidelijk aangegeven dat alleen een aanhoudingsbevel iemand voor langer dan achtenveertig uren van zijn vrijheid kan beroven.

Amendement nr. 4 wordt verworpen met 13 tegen 2 stemmen.

De heer Stéphane Crusnière (PS) c.s. dient amendement nr. 5 (DOC 54 2611/002) in, waarbij wordt beoogd in de voorgestelde tekst te bepalen dat de betekening van het bevel moet gebeuren binnen achtenveertig uren na de vrijheidsberoving. Deze precisering werd door de leden en de minister gesuggereerd tijdens de algemene bespreking.

Amendement nr. 5 wordt aangenomen met 14 stemmen en 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde enig artikel wordt aangenomen met 14 stemmen tegen 1. Als gevolg van de aanneming van het enig artikel vervallen de toegevoegde voorstellen (DOC 54 1712/001, DOC 54 1713/001, DOC 54 1741/001, DOC 54 2047/001 en DOC 54 2132/001)."

Lees meer

Tekst aangenomen door de Kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2611/4

Lees meer

Amendementen, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2611/5 

Lees meer

Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, Parl.St. Kamer 2016-2017, nr. 54-2611/6 

"Enig artikel

In artikel 12 van de Grondwet wordt het derde lid vervangen als volgt:

“Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen de achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken.”."

Lees meer

Verslag namens de Senaatscommissie voor de Institutionele Aangelegenheden, Parl.St. Senaat 2016-2017, nr. 6-363/2


Blz. 3:

"II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister van Justitie, de heer Geens, stipt aan dat de voorliggende tekst door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd goedgekeurd op 20 juli 2017. Het betreft de herziening van artikel 12, derde lid, van de Grondwet.

De huidige tekst van artikel 12, derde lid, bepaalt dat, buiten de gevallen van ontdekking op heterdaad, niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen de vierentwintig uren te rekenen van de vrijheidsberoving.

De termijn van 24 uur wordt nu op 48 uur gebracht.

Deze wijziging van de Grondwet kan slechts in werking treden als ook de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis wordt aangepast. Ook in deze wet moet de termijn van 24 uur op 48 uur worden gebracht. Een wetsvoorstel ter zake werd door de meerderheid in de Kamer ingediend (stuk Kamer, nr. 54-2612/001). Het is de bedoeling de publicatie van de voorliggende grondwetswijziging uit te stellen tot de aanneming van het betreffende wetsvoorstel door de Kamer. Een grondwetsherziening treedt immers in werking onmiddellijk na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

De tekst van artikel 12, derde lid, van de Grondwet, zoals aangenomen door de Kamer, luidt als volgt :

« Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen de achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en uitsluitend tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken. »

Het gaat hier om de procedure in strafzaken, dus nadat er aanwijzingen zijn dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Artikel 12, tweede lid, bepaalt immers dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Ook de woorden « behalve bij ontdekking op heterdaad » in het derde lid van artikel 12 verwijzen naar het strafprocesrecht. Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering stelt dat een misdrijf is ontdekt op heterdaad indien het wordt ontdekt « terwijl het gepleegd wordt of terstond nadat het gepleegd is ».

De minister schetst ook de geschiedenis en betekenis van de voorgestelde herziening van artikel 12, derde lid, van de Grondwet.

Tijdens de vorige zittingsperiode heeft de wetgever via de wet van 13 augustus 2011 – de « wet-Salduz » – beslist dat de onderzoeksrechter een hechtenis van 24 uur op grond van een met redenen omkleed bevel kan verlengen tot 48 uur. Deze wijziging vormde een antwoord op de « richtlijn-Salduz » van de Europese Unie.

In deze context werd de grondwetgever gevraagd artikel 12, derde lid, te herzien. De politieke meerderheid in de Kamer wil zo voorkomen dat de « gewone » wetgever in de toekomst de Grondwet impliciet zou kunnen wijzigen. Elke ambiguïteit moet worden opgeheven.

De vrijheidsberoving van een verdachte van strafbare feiten mag niet langer dan 48 uur duren, tenzij een rechter tussenkomt met een schriftelijk gemotiveerd bevel tot « echte » aanhouding. De vrijheidsberoving bestaat uit de beperking van de vrijheid van komen en gaan. De termijn gaat in bij de vrijheidsberoving.

Het woord « vrijheidsberoving » – « privation de liberté » in het Frans – is een nieuwe term.

Het vroeger gebruikte woord « aanhouding » heeft immers te veel verschillende betekenissen en kan verwarring scheppen.

Er is slechts één uitzondering, namelijk bij ontdekking op heterdaad.

In dat geval kan immers elke burger, elke nietpolitieman of private veiligheidspersoon of detective, iemand arresteren en zo snel mogelijk aangifte doen van deze arrestatie en het misdrijf aan de politie. Enkel in dat geval begint de termijn van 48 uur te lopen niet vanaf de vrijheidsberoving, maar wel vanaf de aangifte.

Het schriftelijk gemotiveerde bevel moet een daadwerkelijk bevel tot aanhouding in voorlopige hechtenis zijn. met andere woorden, de rechter mag zijn bevoegdheid niet meer beperken tot een loutere verlenging van die voorafgaande termijn van 48 uur waarbinnen politie en openbaar ministerie verder kunnen ageren/ onderzoek voeren.

In de rechtspraktijk betekent het bevel tot aanhouding dat de verdachte in voorlopige hechtenis in de gevangenis gaat of dat elektronisch toezicht wordt opgelegd (als modaliteit van voorlopige hechtenis). Vandaag worden ongeveer 8 à 9 % van de voorlopige hechtenissen met een elektronische enkelband uitgevoerd, of 13 % als men de personen zonder verblijfsvergunning uit de statistieken verwijdert. Uiteraard kan de rechter ook beslissen om geen voorlopige hechtenis op te leggen, maar de persoon vrij (onder voorwaarden) te stellen.

Het is voor een persoon en zijn verdere toekomst minder bezwarend om even in de politiecel te verblijven dan in een gevangeniscel. Daarom leek de verlenging van de termijn van 24 uur naar 48 uur een mooi compromis. In sommige landen kan men zelfs 96 uur of langer in een politiecel verblijven.

Samengevat stelt de minister dat er mogelijk twee periodes van vrijheidsberoving zijn :

– de periode voorafgaand aan het bevel van de rechter tot aanhouding, die niet langer dan 48 uur mag duren (behalve bij ontdekking op heterdaad) ;

– de periode na de afgifte van het bevel tot aanhouding door de rechter, die bestaat uit de voorlopige hechtenis onder commando van de onderzoeksrechter, de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingsstelling. Hierbij is er een regelmatige afweging van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis.

Zolang geen rechter geadieerd is voor het bevel tot aanhouding, kan het openbaar ministerie nog steeds op eigen initiatief de verdachte vrijlaten en de zaak verder in het kader van een opsporingsonderzoek behandelen, zonder gerechtelijk onderzoek en voorlopige hechtenis.

De minister besluit dat de voorgestelde tekst van artikel 12, derde lid, duidelijk is. Binnen 48 uur moet de rechter tussenkomen met een bevel tot aanhouding in voorlopige hechtenis; de termijn van 48 uur kan as such niet verlengd worden en er is overeenstemming met de rechtspraktijk en de Belgische wetgeving (ook diegene die uit Europese regelgeving is voortgekomen).

De wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis moet niet alleen worden aangepast aan de nieuwe termijn van 48 uur en aan de afschaffing van het bevel tot verlenging (art. 15bis). Het strekt ook tot aanbeveling om zeker in de Nederlandse tekst het ongelukkige woord « aanhouding » door zijn gelijkenis met het begrip « bevel tot aanhouding » te vervangen. In het Frans zijn de termen « arrestation » en « mandat d’arrêt » adequater. De initiële beperking van de vrijheid van komen en gaan wordt in de voorgestelde bepaling van de Grondwet « vrijheidsberoving » genoemd en niet « aanhouding » (« privation de liberté » en niet « arrestation »). Dit moet ook in de gewone wetgeving worden opgenomen.

Ook in de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt moet de termijn van 24 uur vervangen worden door die van 48 uur.

Deze wetswijzigingen moeten bij gewone meerderheid door de Kamer worden goedgekeurd.

De minister stipt ten slotte aan dat de voorgestelde tekst niet enkel een aanpassing inhoudt ten gevolge van de zaak Salduz en de bijbehorende regelgeving, maar ook noodzakelijk blijkt in het kader van de aanpak van het terrorisme. Indien meerdere personen tegelijkertijd van hun vrijheid worden beroofd en moeten worden beoordeeld door eenzelfde onderzoeksrechter, is de termijn van 24 uur erg kort. Bovendien wijst de praktijk uit dat de ware termijn zelfs beperkt is tot 12 of 13 uur. De personen worden immers eerst door de politie verhoord en slechts daarna kan de onderzoeksrechter met het onderzoek beginnen. Het risico bestaat dat men enerzijds personen te snel weer vrijlaat of anderzijds dat men personen te snel naar de gevangenis stuurt. In een rechtsstaat mag men dit risico niet lopen.

In de Kamer werd de vrees geuit dat men de onderzoeksrechter toch nog « last minute » zou oproepen om de verdachte te ondervragen, ook al wordt de termijn tot 48 uur verlengd.

De minister meent dat het organisatorisch voor de politie moeilijk haalbaar zal zijn om personen langer dan 24 uur in een politiecel vast te houden. Bovendien zal in de geplande wijziging van de wet op de voorlopige hechtenis een evaluatieverplichting worden opgelegd aan de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken.

De minister vreest dus geen systematisch misbruik van de termijn van 48 uur. Het is belangrijk dat de onderzoeksrechter in ingewikkelde zaken de nodige tijd kan spenderen om een juiste beslissing te nemen.

Deze termijn blijkt bovendien zeer redelijk te zijn, gelet op de wetgeving in de ons omringende landen, en gaat dus niet in tegen een redelijke interpretatie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

III. BESPREKING

A. Vragen van de leden

Mevrouw Defraigne wenst de werkzaamheden van de commissie voor de Justitie van de Senaat in herinnering te brengen. Deze commissie, die in 2011 de hervorming van de « Salduz wetgeving » heeft besproken, heeft toen getracht een oplossing te vinden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Belgische Hof van Cassatie. De richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken bestond op dat ogenblik nog niet. De gezochte oplossing diende praktisch en pragmatisch te zijn. Tijdens de hoorzittingen kwamen zowel politiediensten, als de advocatuur en de magistratuur aan bod. Er is toen gebleken dat de vereisten van de « Salduz procedure » en de aanhoudingstermijn van 48 uur niet noodzakelijk met elkaar te verzoenen waren.

Vermits artikel 12 van de Grondwet op dat ogenblik niet voor herziening vatbaar was, werd een creatieve oplossing gevonden door in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis een artikel 15bis in te voegen dat het bevel tot verlenging van de voorlopige hechtenis mogelijk heeft gemaakt, precies om de bijstand van een advocaat te kunnen garanderen. Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat zulks in overeenstemming was met de Grondwet. Werd er reeds een evaluatie gemaakt van de toepassing van dit bevel tot verlenging sedert de inwerkingtreding van deze wetgeving ? Deze mogelijkheid bestaat immers niet enkel voor terroristische misdrijven maar voor alle misdrijven.

De heer Anciaux dankt de minister voor zijn aanwezigheid om zélf de toelichting te komen geven bij het ontwerp tot herziening van de Grondwet, wat wijst op het belang dat hij hieraan hecht. Het zal wellicht ook voor het eerst zijn dat de Senaat ten volle zijn rol speelt bij de herziening van de Grondwet.

Spreker staat in principe huiverachtig tegenover elke vorm van verlenging van de aanhoudingstermijn. Artikel 12 is zijns inziens een van de meest essentiële artikelen van de Grondwet die de rechtsstaat waarborgt. De rechtsstaat zorgt er immers voor dat niemand zomaar van zijn vrijheid kan worden beroofd. Vrijheid is het hoogste goed van iedereen. De eigen ervaring van spreker leert dat een vrijheidsberoving van slechts 12 uur reeds erg indrukwekkend kan zijn. 24 uur is reeds een behoorlijk lange periode voor mensen van wie niet aangetoond is dat ze iets mispeuterd hebben, vermits geen rechter daarover heeft geoordeeld. De verlenging van die periode tot 48 uur leek spreker dan ook een forse aantasting van een van de basisprincipes van de rechtsstaat, met name dat men enkel van zijn vrijheid kan worden beroofd door tussenkomst van een rechter.

Niettemin zal de heer Anciaux de voorgestelde herziening van de Grondwet steunen. De minister heeft twee goede redenen genoemd om dat te doen, met name de toepassing van de « Salduz wetgeving » en de terroristische aanslagen. De ingewikkeldheid van de strafzaken, het groot aantal betrokken personen en de gerechtelijke onderzoeken die zich over meerdere gerechtelijke arrondissementen uitstrekken, zijn evenwel niet altijd een excuus. Het klopt dat de aanhoudingstermijn van 24 uur dan beperkt is en dat de onderzoeksrechter in feite slechts enkele uren de tijd heeft om over de verlenging ervan te oordelen. Soms bleven onschuldigen toch verder aangehouden omdat de onderzoeksrechter niet altijd het risico wou lopen om de betrokkene vrij te laten. Hoewel deze argumenten op zich valabel zijn, moet er toch ernstig worden nagedacht over de toepassing van de voorlopige hechtenis, die in geen enkele rechtsstaat zo vaak wordt aangewend als in België. Men is in principe immers onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. In de praktijk worden vele mensen echter reeds beoordeeld door de publieke opinie op het ogenblik van hun aanhouding en, zeker als de onderzoeksrechter hun aanhouding verlengt, beschouwt de publieke opinie hen als schuldig.

De verlenging van de arrestatietermijn van 24 naar 48 uur is dan ook geen « kattenpis ». De heer Anciaux hoopt echter dat deze verlenging zal leiden tot minder bevelen tot aanhouding door de onderzoeksrechter, indien tijdens het onderzoek blijkt dat er geen elementen voorhanden zijn die zulks verantwoorden. De toekomst zal uitwijzen of dat het geval is. Alleszins pleit spreker ervoor dat binnen het College van procureurs-generaal richtlijnen worden opgesteld zodat de verlenging niet tot gevolg heeft dat de onderzoeksrechter pas 24 uur later dan vandaag het geval is, het dossier in handen krijgt. Vandaag worden de onderzoeksrechters immers vaak veel te laat – na 20 of 22 uur – geadieerd. Wanneer zou blijken dat zij in de toekomst pas na 46 uur worden geadieerd, heeft men immers geen stap vooruitgezet.

Belangrijk is volgens de heer Anciaux dat, nu de termijn van 48 uur in de Grondwet wordt opgenomen, er geen andere uitzonderingen meer mogelijk zijn, zoals de minister uitdrukkelijk heeft aangegeven. Dat is een goede zaak. Het is immers niet erg netjes dat een gewone wet de Grondwet de facto aanpast, zoals is gebeurd met de wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Nu zal de Grondwet duidelijk zijn en zijn er geen andere uitzonderingen meer mogelijk : de termijn bedraagt 48 uur, behalve in geval van ontdekking op heterdaad. In dat laatste geval is er onduidelijkheid over het ogenblik waarop de betrokkene wordt overgedragen aan de gerechtelijke instanties. Misschien moeten hierover duidelijke richtlijnen worden gegeven.

De heer Anciaux is ook heel tevreden dat er geen uitzondering op de termijn van 48 uur meer mogelijk is in geval van terrorisme.

De voorgestelde verlenging biedt argumenten om de strijd tegen het terrorisme te voeren. Het blijft wel de taak van de politiek om in te gaan tegen bepaalde vooroordelen en om te blijven pleiten voor de eerbiediging van de rechtsstaat.

Tot slot vraagt het lid of er cijfergegevens kunnen worden meegedeeld over hoe vaak onderzoeksrechters te laat worden verwittigd.

De heer Wahl deelt grotendeels de gedachtegang van de heer Anciaux wat betreft de voorgesteld