Wetshistoriek

Ingevoegd bij de grondwetsherziening van 24 december 1970 (BS 31 december 1970).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Algemeen

Advies 65.404/AV van de Raad van State van 4 maart 2019 over een voorstel van bijzondere wet ‘over de coördinatie van het beleid van de federale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten met betrekking tot klimaatverandering en het vaststellen van algemene langetermijn doelstellingen’ (Parl.St. Kamer, 2018 19, nr. 54 3517/001) en een voorstel van bijzondere wet ‘over de coördinatie van het beleid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten met betrekking tot de klimaatverandering en het vaststellen van algemene langetermijn doelstellingen’ (Parl.St. Kamer, 2018 19, nr. 54 3520/001), Parl.St. Kamer 2018-2019, nr. 54-3517/4

Blz. 8:

“[De huidige bevoegdheidsverdeling inzake klimaatbeleid en de constitutionele grondslag van de voorstellen van bijzondere wet

C. De draagwijdte van de aan de bijzondere wetgever toegekende bevoegdheden

2.4. De artikelen 39, 127, § 1 en 128, § 1, van de Grondwet kennen aan de bijzondere wetgever de bevoegdheid toe om, binnen het grondwettelijk kader, bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten toe te wijzen, door de “aangelegenheden” waarvoor deze bevoegd zijn aan te duiden, de “wijze” waarop zij deze bevoegdheden uitoefenen, alsook de “samenwerkingsvormen” te bepalen. Het gaat met andere woorden om de toekenning van (een deel van de) zgn. Kompetenz-Kompetenz.

Op grond van deze bepalingen kan de bijzondere wetgever in de eerste plaats de aangelegenheden vaststellen waarvoor de gewesten en gemeenschappen bevoegd zijn. In het verleden heeft de Raad van State erop gewezen dat artikel 39 van de Grondwet “op een uiterst ruime wijze aan de bijzondere wetgever opdraagt de bevoegdheden van de gewesten te bepalen”. Voetnoot 11 van het geciteerde advies: Adv.RvS 36.402/VR van 22 januari 2004 over een voorontwerp van bijzondere wet ‘van wijziging van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten’, opmerking 4. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van de bijzondere wetgever om op grond van artikel 127, § 1, van de Grondwet de culturele aangelegenheden te bepalen en op grond van artikel 128, § 1, van de Grondwet de persoonsgebonden aangelegenheden Voetnoot 12 van het geciteerde advies: Adv.RvS 53.932/AV van 27 augustus 2013 over een voorstel dat heeft geleid tot de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming’, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5‑2232/1. te bepalen. De bijzondere wetgever kan deze aangelegenheden op een positieve wijze, doch ook op een negatieve wijze omschrijven, door uitdrukkelijk aan te geven dat bepaalde aangelegenheden niet worden overgedragen en tot de bevoegdheid van de federale wetgever blijven behoren. Op grond van die bepalingen kan de bijzondere wetgever daarenboven ook de vormen van samenwerking vaststellen Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Wat de gemeenschappen betreft bieden de artikelen 127, § 1, 128, § 1, en 130, van de Grondwet de uitdrukkelijke constitutionele grondslag voor de bevoegdheid van de bijzondere wetgever om de samenwerkingsvormen te bepalen. Wat de gewesten betreft biedt artikel 39 van de Grondwet de constitutionele grondslag voor deze bevoegdheid. (zie Y. Peeters, De plaats van samenwerkingsakkoorden in het constitutioneel kader, Brugge, die Keure, 2016, 182, nr. 173)., alsook de wijze bepalen waarop de overgedragen bevoegdheden worden uitgeoefend. Voetnoot 14 van het geciteerde advies: Wat de gewesten betreft, biedt artikel 39 van de Grondwet de uitdrukkelijke constitutionele grondslag, om deze bevoegdheid uit te oefenen; wat de gemeenschappen betreft kunnen, de artikelen 127, § 1, 128, § 1, en 130 van de Grondwet geacht die grondslag te bieden, voor zover de wijze van bevoegdheidsuitoefening ook als samenwerkingsvormen kunnen worden beschouwd.

2.5.         De in de artikelen 39, 127, § 1, en 128, § 1, van de Grondwet gebruikte begrippen “het vaststellen van aangelegenheden” waarvoor de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn, “het regelen van de wijze van uitoefening” van de bevoegdheden door de gemeenschappen en gewesten, en “het bepalen van de “samenwerkingsvormen” tussen de staat, de gemeenschappen en/of de gewesten, kunnen evenwel niet geacht worden de bijzondere wetgever ook toe te staan zelf regels uit te vaardigen in de aangelegenheden die hij aan de gemeenschappen en gewesten toewijst of aan de federale wetgever voorbehoudt.

Anders dan in andere artikelen van de Grondwet Voetnoot 15 van het geciteerde advies: Een dergelijke opdracht van een materiële normatieve bevoegdheid wordt bv. wel toegekend aan de bijzondere wetgever in artikel 39bis van de Grondwet (“de nadere regels en de organisatie van de volksraadpleging”), in artikel 41, derde lid, van de Grondwet (“de werkingsregels en de wijze van verkiezing van de binnengemeentelijke territoriale organen” en “de overige voorwaarden, waaronder en de wijze waarop dergelijke binnengemeentelijke territoriale organen, kunnen worden opgericht”), in artikel 118, § 1, van de Grondwet (“de verkiezingen, de samenstelling en de werking” van de Gemeenschaps- en Gewestparlementen”) en in artikel 121, § 1, van de Grondwet (“de samenstelling en de werking” van de Regering van de Vlaamse Gemeenschap en van de Regering van de Franse Gemeenschap”)., heeft de grondwetgever in de artikelen 39, 127, § 1, en 128, § 1, van de Grondwet aan de bijzondere wetgever zelf immers geen aangelegenheden toegewezen waarvoor deze, bij bijzondere meerderheidswet, materiële regels zou kunnen uitvaardigen. Evenmin heeft de grondwetgever aan de bijzondere wetgever de bevoegdheid toegekend om bij het bepalen van de bevoegdheden aan de gemeenschappen en gewesten een aantal aangelegenheden voor zichzelf voor te behouden om deze bij bijzondere meerderheidswet te regelen. Wanneer de bijzondere wet zelf aangelegenheden regelt, waardoor deze zowel aan de federale overheid als aan de deelgebieden worden onttrokken, gaat de bijzondere wetgever zijn bevoegdheid te buiten.

Dezelfde overwegingen gelden mutatis mutandis ook voor de wijze waarop de bevoegdheidsoverdrachten worden georganiseerd op basis van de artikelen 130, 135 en 138 van de Grondwet, met dit voorbehoud evenwel dat de overdracht van bevoegdheden of van hun uitoefening, wat betreft de artikelen 130 en 138 van de Grondwet, niet door een bijzondere wet geschiedt

2.6. In het verleden is het weliswaar voorgekomen dat de bijzondere wetgever op het ogenblik dat hij een aangelegenheid aan de gewesten toewijst, bepaalt dat deze hun bevoegdheid ter zake niet kunnen aanwenden om een op dat ogenblik in deze aangelegenheid geldende federale regelgeving te wijzigen.  Voetnoot 16 van het geciteerde advies: Zie bv. Artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980: “met uitzondering van de regelingen die krachtens de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet van 19 juli 2012 en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen opgenomen zijn, in de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijke welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen”.  Dergelijke bepalingen dienen te worden beschouwd als een negatieve omschrijving van de gewestelijke bevoegdheid (“met uitzondering van ....”) en vormen geen aanwijzing dat de bijzondere wetgever bevoegd is om ter zake ook zelf regelingen uit te vaardigen.

2.7. In dezelfde zin kan ook de in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalde regel dat de gewesten “in economische aangelegenheden hun bevoegdheden uitoefenen maar met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals voorgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen”, niet begrepen worden als een aanwijzing dat de bijzondere wetgever bevoegd is om in de aan de gewesten overgedragen aangelegenheden zelf de “algemene beginselen” vast te stellen. In casu gaat het immers niet om beginselen die als zodanig door de bijzondere wetgever werden uitgevaardigd, doch die om beginselen die slechts door deze werden bevestigd omdat ze reeds op internationaal, Europees en/of nationaal niveau van kracht waren en geacht moesten worden aan het Belgisch federaal bestel ten grondslag te liggen. Reeds voor de bevestiging ervan in artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 had het Arbitragehof immers geoordeeld “dat het nieuwe Belgische staatsbestel berust op een economische en monetaire unie, d.i. het institutioneel kader van een uit deelgebieden opgebouwde economie, dat gekenmerkt wordt door een geïntegreerde markt (de zg. economische unie) en door de eenheid van de munt (de zg. monetaire unie). Het bestaan van een economische unie impliceert in de eerste plaats het vrij verkeer van goederen en produktiefaktoren tussen de deelgebieden van de Staat.” Voetnoot 17 van het geciteerde advies: Arbitragehof, 25 februari 1988, nr. 47/88, 6.B.4. Ook uit artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kan bijgevolg niet worden afgeleid, dat de bijzondere wetgever over een algemene bevoegdheid beschikt om, in alle aangelegenheden waarvoor hij de bevoegdheidsverdeling uitwerkt, zelf de algemene beginselen vast te leggen. Een dergelijke verregaande inmenging van de bijzondere wetgever in de beleidsdomeinen die aan de gemeenschappen en de gewesten of aan de federale wetgever worden toegewezen respectievelijk voorbehouden, heeft de grondwetgever niet beoogd en zou daarenboven bezwaarlijk in overeenstemming zijn te brengen met het autonomiebeginsel dat aan het federale bestel ten grondslag ligt.

D. Het onderzoek van de voorstellen van bijzondere wet in het licht van de aan de bijzondere wetgever toekomende bevoegdheid

2.8. Aangezien de indieners van de voorstellen zich beroepen op in de artikelen 39, 127, § 1 en 128, § 1, van de Grondwet bepaalde bevoegdheidstoewijzing aan de bijzondere wetgever, mogen de ingediende voorstellen slechts betrekking hebben, ofwel op het aanwijzen van aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn of waarvoor zij niet bevoegd zijn, zodat de federale wetgever bevoegd blijft, ofwel op het bepalen van de wijze waarop zij hun bevoegdheid dienen uit te oefenen of het bepalen van de samenwerkingsvormen die zij daarbij dienen in acht te nemen. Voor zover de voorstellen dit niet doen, maar daarentegen beogen zelf inhoudelijk een bepaalde aangelegenheid te regelen, namelijk het klimaatbeleid, zou de bijzondere wetgever zijn Kompetenz-Kompetenz te buiten gaan.

De Raad van State moet bijgevolg onderzoeken of de verschillende bepalingen van de voorstellen binnen deze krijtlijnen blijven.

1. De beginselen en doelstellingen van het klimaatbeleid

2.9. De artikelen 3, 4, paragraaf 1 en 3, 6 en 7, van de voorstellen bepalen de beginselen en doelstellingen van het klimaatbeleid. De artikelen 3 en 4, paragraaf 1 en 3, leggen de algemene beleidsdoelstellingen vast die gelden voor elke bevoegde overheid. Artikel 6 legt de globale klimaatdoelstellingen vast op lange en middellange termijn. Paragraaf 2 van dit artikel legt hierbij vier intermediaire doelstellingen vast, waarbij de doelstellingen in de punten 1° en 3° overigens strenger zijn dan de doelstellingen die zijn opgenomen in artikel 2, 11), van verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad “2030-streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie”. Voetnoot 18 van het geciteerde advies: Te weten:
 - het Uniebrede bindende streefcijfer om de broeikasgasemissies in de hele economie van de Unie uiterlijk in 2030 met ten minste 40 % te doen dalen in vergelijking met 1990;
- het Uniebrede bindende streefcijfer om in 2030 ten minste 32 % hernieuwbare energie te verbruiken in het Unie;
- het Uniebrede centrale streefcijfer om de energie-efficiëntie in 2030 met ten minste 32,5 % te verbeteren;
- het streefcijfer om in 2030 een elektriciteitsinterconnectie van ten minste 15 % te bereiken;
 - alle verdere streefcijfers in dit verband die door de Europese Raad of door het Europees Parlement en door de Raad voor het jaar 2030 worden overeengekomen.
De algemene beleidsdoelstellingen in artikel 4 en de klimaatdoelstellingen in artikel 6 van de voorstellen laten een zeer beperkte ruimte voor de bevoegde overheden om ter zake een eigen beleid te voeren.

2.10. De voorgestelde bepalingen leggen niet de bevoegdheden van de onderscheiden overheden vast, zij oefenen niet de Kompetenz-Kompetenz uit, maar geven zelf gestalte aan een (deel van het) klimaatbeleid, en dit in de plaats van de respectieve wetgevers die beschikken over klimaatbevoegdheden. De door de bijzondere wetgever bepaalde beginselen en doelstellingen gelden zowel voor de federale overheid als voor de gemeenschappen en gewesten. De bijzondere wetgever oefent aldus zelf klimaatbevoegdheden uit. Hij beperkt er zich niet toe de aangelegenheden te bepalen waarvoor de gewesten en gemeenschappen en – bij wege van uitzondering – de federale wetgever bevoegd is, noch tot het regelen van de “wijze” waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen of van de “samenwerkingsvormen” die zij daarbij in acht dienen te nemen. De voorgestelde bepalingen gaan dan ook de bevoegdheid te buiten die de bijzondere wetgever aan de artikelen 39, 127, § 1, en 128, § 2, van de Grondwet kan ontlenen.

2.11. Ter verantwoording van hun bevoegdheid verwijzen de indieners van de voorstellen ten onrechte naar het zgn. klimaatresponsabiliseringsmechanisme neergelegd in artikel 65quater van de op grond van artikel 177 van de Grondwet uitgevaardigde bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten’. Wezenlijk voor dit “klimaatresponsabiliseringsmechanisme” is immers dat het een bevoegdheid aan een federale overheid – meer bepaald de Koning – toewijst. Weliswaar legde de bijzondere wetgever in een bijlage bij de bijzondere financieringswet een traject vast voor reducties in CO2‑uitstoot die de gewesten moeten realiseren door het energiezuiniger maken van de woningen. Dit traject heeft evenwel slechts uitwerking voor zover de Koning niet zelf jaarlijks dit traject bepaalt. Het traject bindt de gewesten daarenboven niet bij de uitoefening van hun bevoegdheden. De gewesten kunnen zelf hun beleidsdoelstellingen vastleggen. Wanneer zij het traject niet naleven, gaan zij hun bevoegdheid niet te buiten, doch worden ze financieel gesanctioneerd. In die zin kan worden aangenomen dat de bijzondere wetgever door het klimaatfinancieringsmechanisme als een onderdeel van de financiering van de gewesten te bepalen, niet zelf een klimaatbevoegdheid heeft uitgeoefend.

2.12. Uit de analyse hierboven blijkt dat de artikelen 39, 127, § 1, en 128, § 1, van de Grondwet geen constitutionele grondslag kunnen bieden om bij bijzondere wet een klimaatbeleid te voeren. Om de algemene beginselen en doelstellingen van het klimaatbeleid vast te leggen die door alle overheden dienen te worden geëerbiedigd, dienen andere wegen te worden bewandeld.

Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat de grondwetgever zelf de klimaatdoelstellingen kan vaststellen. Deze doelstellingen zouden kunnen worden opgenomen in het in 2014 voor herziening vatbaar verklaarde artikel 7bis uit titel Ibis van de Grondwet over “Algemene beleidsdoelstellingen van het federale België, de gemeenschappen en gewesten”. Dit artikel legt thans reeds aan de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten op om rekening te houden met “de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties”. De grondwetgever zou hetzij zelf precieze bindende klimaatdoelstellingen in artikel 7bis van de Grondwet kunnen vastleggen. Hij zou ook kunnen bepalen dat de staat, de gemeenschappen en gewesten de bindende klimaatstellingen die in een bijzondere meerderheidswet of in een gewone meerderheidswet worden bepaald dienen te eerbiedigen. De grondwetgever zou daarbij ook kunnen voorschrijven dat de (bijzondere) wetgever de klimaatdoelstellingen slechts kan bepalen na overleg, betrokkenheid, eensluidend advies of akkoord van de gemeenschappen en gewesten.

Ook de bijzondere wetgever zou op grond van de artikelen 39, 127, 1°, en 128, 2°, van de Grondwet de bevoegdheid om de klimaatdoelstellingen te bepalen kunnen voorbehouden aan de federale wetgever, als een uitzondering op de klimaatbevoegdheden waarover de gemeenschappen en de gewesten beschikken. Aldus zou de bijzondere wetgever niet zelf klimaatbevoegdheden uitoefenen, maar zich beperken tot de rol die de zijne is, namelijk de bevoegdheden (in dit geval op negatieve wijze) toewijzen aan de gemeenschappen en de gewesten. Ook een dergelijk bevoegdheidvoorbehoud voor de federale wetgever zou overigens kunnen gepaard gaan met het bepalen van samenwerkingsvormen waardoor de federale overheid de beginselen en de doelstellingen van het klimaatbeleid slechts kan bepalen na overleg, betrokkenheid, eensluidend advies of akkoord van de gemeenschappen en gewesten. De bijzondere wetgever zou ook in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een verplichting tot het sluiten van een samenwerkingsakkoord kunnen inschrijven. Ten slotte zou hij ook de werkingssfeer van het zgn. klimaatresponsabiliseringsmechanisme neergelegd in artikel 65quater van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten’, kunnen uitbreiden.

2. De klimaatimpactanalyse

2.13. Artikel 4, § 2, van de voorstellen bepaalt dat elke regeringsbeslissing het voorwerp moet uitmaken van een “klimaatimpactanalyse”. Aangezien hiermee geregeld wordt op welke “wijze” de verschillende bevoegde overheden hun respectieve bevoegdheden dienen uit te oefenen, kan die bepaling worden ingepast in de artikelen 39, 127, § 1 (met uitzondering van het onderwijs – cf. verder) en 128, § 1, van de Grondwet. Opdat die bepaling ook van toepassing is op de Duitstalige Gemeenschap, zal zij in een artikel van de gewone wet van 31 december 1983 ter hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard (cf. artikel 130, § 1, van de Grondwet).

3. De klimaat- en energiedialoog/ de vorming en sensibilisering

2.14. Artikel 5, eerste lid, van de voorstellen stelt een klimaat- en energiedialoog in op verschillende niveaus waarin het brede publiek, lokale overheden, maatschappelijke organisaties, de bedrijfswereld, investeerders, adviesraden en andere betrokken partijen actief kunnen participeren en de verschillende mogelijke scenario’s, ook op lange termijn voor het energie- en klimaatbeleid kunnen bespreken, en de vooruitgang van dit beleid kunnen beoordelen. Deze bepaling kan geacht worden betrekking hebben op de “wijze” waarop de bevoegdheid wordt uitgeoefend. Aangezien daarenboven uit artikel 9, § 2, 2°, van de voorstellen volgt dat het Interfederale klimaatagentschap de klimaat- en energiedialoog organiseert, kan worden aangenomen dat die bepaling valt in te passen in de bevoegdheden van de bijzondere wetgever. Hiervoor kan verwezen worden naar opmerking 2.16 van dit advies. De bijzondere wetgever kan dan ook deze bepaling aannemen. Ze zal bij een gewone wet van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard op de Duitstalige Gemeenschap.

2.15. Artikel 5, tweede lid, van de voorstellen bepaalt dat de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, elk wat hun bevoegdheden betreft de nodige onderwijs-, vormings- en sensibiliseringsmaatregelen nemen betreffende de klimaatproblematiek en de koolstofcyclus. Voor zover aan de gemeenschappen daardoor een verplichting inzake onderwijs wordt opgelegd, is deze bepaling in strijd met artikel 127, § 1er, alinéa 1er, 2°, van de Grondwet. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof vloeit immers voort dat de bijzondere wetgever niet vermag “afbreuk te doen aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake onderwijs, die rechtstreeks uit de Grondwet voortvloeit”. Voetnoot 19 van het geciteerde advies: GwH 20 oktober 2005, nr. 154/2005, B.4.2. Hij kan aan die bevoegdheid geen uitzonderingen toevoegen. Voetnoot 20 van het geciteerde advies: GwH 23 februari 2005, nr. 44/2005, B.14.6.; GwH 20 oktober 2005, nr. 154/2005, B.4.3. Het komt de bijzondere wetgever derhalve ook niet toe die bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs te beperken. De bijzondere wetgever zou op het vlak van onderwijs enkel de samenwerking met de overige deelgebieden kunnen regelen.

4. De klimaatinstellingen

2.16. De artikelen 8, 9 en 11 van de voorstellen bevatten bepalingen die de samenwerking tussen (de verschillende organen van) de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, in de Interministeriële klimaatconferentie (artikel 8), in het Interfederale Klimaatagentschap (artikel 9) en in het Interparlementair klimaatoverleg (artikel 11) beogen te regelen. Het regelen van dergelijke aangelegenheden kan kennelijk worden beschouwd als het regelen van hetzij de "samenwerking" tussen de verschillende bevoegde overheden, hetzij de “wijze” waarop de bevoegdheden worden uitgeoefend en kan aldus bij bijzondere wet worden geregeld. Dat deze bepalingen ook van toepassing zijn op de federale overheid is het noodzakelijke gevolg van het feit dat deze bepalingen regelen op welke wijze de deelgebieden dienen samen te werken binnen de opgerichte klimaatbeleidsinstellingen.

2.17. Artikel 10 van de voorstellen richt een Permanent Onafhankelijk Klimaatexpertencomité op. Voor zover dit comité geen klimaatbevoegdheden uitoefent die aan de federale staat, de gemeenschappen of de gewesten toekomen, doch deze overheden slechts – verplicht of vrijwillig – ondersteunt in de uitoefening van hun bevoegdheden, kan dit artikel beschouwd worden als de regeling van de “wijze” waarop de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten hun bevoegdheden uitoefenen.

2.18. Opdat de bepalingen in de artikelen 8, 9, 10 en 11 van de voorstellen ook van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap, zullen ze in een artikel van de gewone wet van 31 december 1983 ‘tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap’ van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard.

5. Het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan en de langetermijnstrategie

2.19. De artikelen 12 tot 18 van de voorstellen bepalen op welke wijze het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan en de langetermijnstrategie tot stand komen, kunnen worden gewijzigd of geactualiseerd en worden bekendgemaakt.

2.20. Artikel 12, tweede lid, van de voorstellen bepaalt welke terreinen (de vijf dimensies van de energie-unie) dit geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bestrijkt. Het bepaalt daarmee alleen op welke terreinen de door artikel 8 tot 11 ingestelde instellingen concreet zullen samen werken, zonder dat deze bepaling zelf de verschillende aangelegenheden die op het klimaat betrekking hebben regelt. Het artikel kan dan ook geacht worden betrekking te hebben op het bepalen van de “samenwerkingsvormen” of op de “wijze” van uitoefening van bevoegdheid, waarvoor de bijzondere wetgever bevoegd is. Ook voor zover de voorstellen de rapportering van het geïntegreerd energie- en klimaatplan aan de organen van de EU regelen, mag worden aangenomen dat zij de “samenwerking” of de “wijze” regelen waarop de bevoegdheden worden uitgeoefend. De bijzondere wet kan ook deze bepalingen aannemen. Ze zullen bij gewone wet van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard op de Duitstalige Gemeenschap.

2.21. Luidens artikel 14, tweede en derde lid, van de voorstellen wordt het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan “vastgesteld door de Interministeriële Conferentie” en zijn de “als zodanig aangeduide bepalingen bindend” voor de verschillende overheden, voor hun instellingen en diensten alsmede voor de instellingen en diensten die daarvan afhangen of onder hun toezicht staan.

Wat betreft de inhoud van de “bepalingen” van het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan waaraan bindende kracht zal worden gegeven, dient het hiernavolgende te worden opgemerkt.

In zoverre het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bestaat uit de beleidsdoelstellingen en de beleidsintenties van de in de Interministeriële Klimaatconferentie vertegenwoordigde overheden, voor de realisatie waarvan elk van de laatstgenoemde overheden nog normatieve maatregelen en beslissingen zullen moeten nemen, kan de vaststelling van dit plan aanzien worden als het gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden door de meergenoemde overheden waarbij zij – wat de in artikel 14, derde lid, bedoelde bepalingen betreft – zichzelf en de van hen afhangende en aan hun toezicht onderworpen diensten en instellingen binden. In dat geval kunnen de voorgestelde bepalingen geacht worden betrekking te hebben op het bepalen van de “samenwerkingsvormen” of op de “wijze” van uitoefening van bevoegdheid, waarvoor de bijzondere wetgever bevoegd is.

Het kan echter niet worden aanvaard dat in het geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan normatieve bepalingen zouden worden opgenomen, daar dit in zou druisen tegen de grondwettelijk verankerde democratische werkingsregels op elk bevoegdheidsniveau om dergelijke bepalingen uit te vaardigen. Bovendien moet erop worden gewezen dat bij de uitoefening van normatieve bevoegdheid het legaliteitsbeginsel uit artikel 23, derde lid, van de Grondwet dient te worden in acht genomen, wat impliceert dat in beginsel de wet- decreet- of ordonnantiegever “in voldoende mate [dient] te regelen: de reikwijdte, de toekenningsvoorwaarden en de werkingssfeer ratione personae van de rechten bedoeld in artikel 23 van de Grondwet”. Voetnoot 21 van het geciteerde advies: In advies 63.964/4/VR van 16 oktober 2018 over een voorontwerp van ordonnantie ‘betreffende het roerend en immaterieel cultureel erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’, stelden de verenigde kamers van de Raad dat uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof “niet mag worden afgeleid dat de wetgever, nadat hij ‘het onderwerp’ heeft bepaald van een sociaal, economisch of cultureel recht dat onder artikel 23 van de Grondwet valt, zonder meer aan de regering de bevoegdheid zou kunnen opdragen om de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en de werkingssfeer ratione personae van een dergelijk recht te bepalen … de afdeling Wetgeving is van oordeel dat de verplichting om het onderwerp te bepalen van de maatregelen waarop de delegatie betrekking heeft in een aangelegenheid die bij artikel 23 van de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, impliceert dat de wetgever de delegaties die hij aan de uitvoerende macht verleent, hoort af te bakenen door zelf de volgende elementen in voldoende mate te regelen: de reikwijdte, de toekenningsvoorwaarden en de werkingssfeer ratione personae van de rechten bedoeld in artikel 23 van de Grondwet.”

Artikel 14, derde lid, moet bijgevolg opnieuw onderzocht worden opdat, op zijn minst tijdens de parlementaire bespreking, gepreciseerd wordt wat het bindende karakter van de bepalingen van het plan die als bindend zijn aangeduid, juist inhoudt voor het optreden van de federale overheid en de verschillende deelentiteiten, en dit met inachtneming van de zonet in herinnering gebrachte beginselen.”

Lees meer

Advies van de Raad van State van 29 december 2020 over een voorstel van decreet ‘institutionnalisant l’assemblée citoyenne et le conseil citoyen’, Parl.St. Waals Parlement 2019-2020, nr. 221/2

Blz. 2:

« I. PORTÉE DE LA PROPOSITION DE DÉCRET

1. La proposition de décret à l’examen prévoit la création de « deux instances relatives au dialogue citoyen » 1, dénommées l’assemblée citoyenne et le conseil citoyen.

L’assemblée citoyenne est « composée de trente habitants […] et du président du conseil citoyen » (art. 2, § 2).

Le conseil citoyen est « composé de six habitants », ceux-ci étant par ailleurs « membres effectifs de l’assemblée citoyenne » (art. 3).

[…] »

Blz. 3:

« III. EXAMEN DE LA PROPOSITION

A. OBSERVATIONS GÉNÉRALES

1. Compétence de la Région wallonne de créer des « instances relatives au dialogue citoyen » à l’échelle de la Région

9. Aux termes de l’article 39 de la Constitution, la loi spéciale « attribue aux organes régionaux […] la compétence de régler les matières qu’elle détermine ».

Aucune disposition spécifique de la loi spéciale n’investit formellement les Régions de la prérogative de mettre en place, à l’échelle de la Région, des « instances au dialogue citoyen ».

La compétence de la Région ne peut pas non plus être fondée sur l’article 118, § 2, de la Constitution et sur l’autonomie constitutive que cette disposition permet de conférer aux entités fédérées dans le « fonctionnement » de leurs instances parlementaires respectives.

La section de législation estime cependant qu’un fondement de compétence de la Région peut être trouvé dans la considération selon laquelle, si lesdites instances sont chargées de faire des recommandations « sur un sujet particulier », non autrement déterminé, ce « sujet » est bel et bien susceptible de se situer à l’intérieur des compétences qui sont reconnues à la Région wallonne, notamment par l’article 6, § 1er, de la LSRI.

En ce sens, dans l’avis n° 36.627/VR/1 donné les 16 et 30 mars 2004 sur une proposition devenue le décret flamand du 7 mai 2004 ‘portant création d’un « Vlaams Instituut voor Vrede en Geweldpreventie » (Institut flamand pour la Paix et la Prévention de la Violence) auprès du Parlement flamand’, la section de législation a à cet égard considéré ce qui suit :

« (traduction libre) COMPÉTENCE DU LÉGISLATEUR DÉCRÉTAL

[…]

En ce qui concerne la mission consultative du Vredeinstituut (Institut pour la paix)

2. Les missions consultatives spécifiques de l’institut, visées à l’article 6, §§ 2 et 3, de la proposition – délivrer un avis en ce qui concerne l’importation, l’exportation et le transit d’armes, de munitions et de produits, matériaux ou technologies y assimilés ou liés - sont en lien direct avec la compétence que l’article 6, § 1er, VI, alinéa 1er, 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 ‘de réformes institutionnelles’ attribue aux régions et avec la compétence des communautés et des régions en matière de conclusion de traités internationaux.

En outre, l’article 6, § 1er, de la proposition attribue une mission consultative générale à l’institut : l’institut peut, de sa propre initiative ou à l’initiative du Parlement flamand, formuler des avis généraux ou spécifiques. Dès lors qu’il s’agit d’avis destinés au Parlement flamand, il peut être admis que ces avis porteront sur des matières relevant de la compétence des communautés et des régions ou à tout le moins sur les matières qui, bien que ne relevant pas de la compétence du Parlement proprement dite, présentent néanmoins des points de convergence avec celle-ci. Ce dernier point ne soulève pas d’objection sur le plan des compétences : comme le Conseil d’État, section de législation l’a déjà relevé notamment dans l’avis 15.197/VR du 6 juillet 1983 et dans l’avis L. 14.766/VR, 14.915/VR et 15.030/VR du 20 juin 1984, il n’est pas requis que la compétence d’un conseil consultatif puisse s’inscrire entièrement dans les compétences de la communauté ou de la région concernée. La délivrance d’un avis n’implique en effet pas l’exercice d’une compétence normative, tandis que, pour exercer ses propres compétences, il peut être utile que l’autorité qui a institué l’organe consultatif soit informée sur certains aspects de matières qui, bien que relevant d’autres autorités, se rapportent néanmoins à des matières ou des aspects de celles-ci qui sont effectivement de sa compétence » Voetnoot  10 van het geciteerde advies: ​​​​​​​ Doc. parl., Parl. flam., 2002-2003, n° 1814/2, pp. 6 et 7. .

Ces développements peuvent être utilement transposés à la proposition de décret à l’examen, qui peut être tenue pour conforme à la répartition des compétences pour autant que les « instances relatives au dialogue citoyen » qu’elle entend mettre en place veillent, dans leurs activités, à assurer un lien à tout le moins indirect avec les compétences de la Région wallonne. Sans doute serait-il indiqué de compléter la proposition à l’examen par une précision explicite en ce sens. »

Lees meer

Advies van de Raad van State van 7 april 2021 over een voorontwerp van wet ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie’, Parl. St. Kamer 2020-2021, nr. 55-1951/1

Blz.61:

C. De bevoegdheidsverdeling

10. De bevoegdheid tot bestrijding van een epidemische noodsituatie is geen bevoegdheid die als zodanig exclusief aan één overheid - de federale, de gemeenschaps- of de gewestelijke – is toegewezen. Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving reeds eerder Voetnoot 19 van het geciteerde advies: Adv. RvS 53.932/AV van 27 augustus 2013 over een voorstel dat het geleid tot de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming’ (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1).  en ook nog tijdens de huidige COVID-19-pandemie in herinnering heeft gebracht Voetnoot 20 van het geciteerde advies: Voornoemde adv. RvS 67.142/AV van 25 maart 2020, opm. 6  , is “elke overheid verantwoordelijk voor de bestrijding van een volksgezondheidscrisis binnen de grenzen van haar eigen materiële bevoegdheden.” Voetnoot 21 van het geciteerde advies: Voornoemde adv. RvS 53.932/AV; Zie ook: adv. RvS 53.018/VR van 13 mei 2013 over een ontwerp van koninklijk besluit ‘houdende de gezondheidscontrole van het internationale verkeer’, opmerking 9; adv. RvS 66.387/1/V van 29 augustus 2019 over een ontwerp dat heeft geleidt tot het koninklijk besluit van 11 december 2019 ‘betreffende de modaliteiten inzake het manipuleren en bewaren van poliovirussen van type 2’, opmerking 7.5; GwH 15 februari 2009, nr. 2/2009, B.5.2. 

Hierna onderzoekt de Raad van State in de eerste plaats de federale bevoegdheden inzake de strijd tegen een epidemische noodsituatie (I). De Raad gaat dan in op bevoegdheden waarover de gemeenschappen en de gewesten ter zake beschikken (II). Vervolgens belicht de Raad de verhouding tussen de verschillende bevoegdheden (III). Ten slotte toetst de Raad de bepalingen uit het voorliggende voorontwerp van wet aan deze bevoegdheidsverdeling (IV).

[…]

Blz. 75:

(III) De verhouding tussen de federale bevoegdheden en de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten inzake bestrijding van een epidemische noodsituatie

30. Uit de hiervoor opgenomen beschrijving van de federale bevoegdheden inzake de bestrijding van een epidemische noodsituatie blijkt dat er vragen kunnen rijzen enerzijds over de verhouding van deze bevoegdheden tot de overige bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten, in het algemeen (A) en anderzijds over de verhouding van deze federale bevoegdheden tot de gemeenschapsbevoegdheid inzake de preventieve gezondheidszorg en de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om, in het kader van de hun toegewezen aangelegenheden, eveneens sanitaire maatregelen te nemen, in het bijzonder (B).

31. Noch de Grondwet, noch de bijzondere wetten houden specifieke regelingen in over deze verhouding. De Raad van State dient dan ook terug te vallen op een aantal beginselen die in het algemeen de uitoefening van de bevoegdheden beheersen.

(A) Verhouding van de federale bevoegdheden tot de overige deelstatelijke bevoegdheden in het algemeen

32. Op grond van haar ruime bevoegdheid inzake sanitaire politie, civiele bescherming en de civiele veiligheid heeft de federale overheid in het verleden maatregelen uitgevaardigd die een ingrijpende weerslag hebben op beleidsdomeinen die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en/of de gewesten behoren. Zo heeft de federale overheid, in het verleden, in de strijd tegen een epidemische noodsituatie maatregelen genomen zoals het sluiten van onderwijsinstellingen, het verbieden van culturele evenementen of het slechts openhouden van de scholen of het slechts toestaan van de culturele evenementen onder bepaalde sanitaire voorwaarden (aantal deelnemers, mondmaskerplicht en sociale afstandsvereiste, enz.). Alhoewel deze maatregelen een duidelijk sanitaire dimensie hebben, kunnen ze, omwille van hun ingrijpende impact op beleidsdomeinen van andere overheden, slechts door de federale overheid worden genomen wanneer het belangrijkste aspect ervan, gelet op hun inzet, kan geacht worden betrekking te hebben op de sanitaire politie, de civiele bescherming en/of civiele veiligheid, waarvoor de federale overheid is bevoegd. Het komt de Raad van State voor dat dit laatste slechts het geval zal zijn, wanneer aan drie voorwaarden is voldaan.

33. In de eerste plaats moet de federale overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheden steeds het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Dit algemeen beginsel, dat samenhangt met de in artikel 143, § 1, van de Grondwet voorgeschreven federale loyauteit Voetnoot 74 van het geciteerde advies: Het beginsel van de federale loyauteit houdt voor elke overheid de verplichting in om bij het uitoefenen van de eigen bevoegdheden het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet te verstoren en de belangen van de andere entiteiten niet te schaden. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden: zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. (GwH 18 maart 2021, nr. 47/2021, overw. B.11; zie ook: J. VANPRAET, “De algemene beginselen van de bevoegdheidsverdeling”, in B. SEUTIN en G. VAN HAEGENDOREN (eds.), De transversale bevoegdheden in het federale België, Brugge, die Keure, 2017, 53, nr. 75).  , is in deze aangelegenheid des te meer van belang daar de federale bevoegdheden inzake de handhaving van de openbare orde (sanitaire politie), de civiele bescherming en de civiele veiligheid zo ruim zijn dat ze, uit hun aard, een ingrijpende weerslag kunnen hebben op domeinen die tot de bevoegdheid van andere overheden behoren. Een verantwoorde uitoefening van deze bevoegdheden, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, veronderstelt dat aan de beslissing van de federale overheid een zorgvuldige, op wetenschappelijke inzichten gebaseerde, afweging voorafgaat tussen enerzijds de redelijkerwijze te verwachten resultaten van de overwogen maatregel in de strijd tegen een epidemische noodsituatie en anderzijds de weerslag ervan op de beleidsdomeinen die aan de gemeenschappen en de gewesten toebehoren. Het komt de Raad van State voor dat de draagwijdte die het evenredigheidsbeginsel heeft in het leerstuk over de beperkingsvoorwaarden van grondrechten, mutatis mutandis, ook hier geldt. Het beginsel impliceert dat “de overheid in het licht van de aard van de feiten waarop zij steunt, van de ernst van die feiten en van de omstandigheden van de zaak dient aan te tonen dat de maatregel die zij overweegt te nemen een noodzakelijke, passende en evenredige maatregel is: wat dat betreft, komt het er heel in het bijzonder op aan zich ervan te vergewissen dat er een voldoende rechtstreeks en nauw verband is tussen enerzijds de toedracht en de omstandigheden van de zaak en anderzijds de verstoring van de openbare orde die men met de voorgenomen politiemaatregel wil voorkomen opdat de maatregel kan worden verantwoord. Voetnoot 75 van het geciteerde advies: Voetnoot 4 in de geciteerde tekst: Ter zake bestaat een vaste en uitvoerige rechtspraak, in het bijzonder over maatregelen van algemene bestuurlijke politie die door gemeenteoverheden genomen zijn: zie bijvoorbeeld RvS 21 april 2006, nr. 157.849, bvba La Démarche; 23 april 2010, nr. 203.235, cv Trocadero; 24 maart 2017, nr. 237.779, Amilcar c.s.  Voetnoot 76 van het geciteerde advies: Adv. RvS 63.791/2/V van 6 augustus 2018 over een voorontwerp van wet ‘betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving’, alg. opm. 1, b). 

34. Een tweede voorwaarde is dat de federale overheid, die zich voorneemt een maatregel te nemen die een rechtstreekse weerslag heeft op domeinen die tot de materiële bevoegdheid van de deelstaten behoren, vooraf overleg dient te plegen met die andere overheden Voetnoot 77 van het geciteerde advies: Zie GwH, 18 maart 2021, nr. 47/2021, overw. B.15: “Zoals in B.11 is vermeld, verplicht het beginsel van de federale loyauteit elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Wanneer de aangelegenheid die hij wenst te regelen dermate verweven is met de aangelegenheid die onder de bevoegdheid van een andere wetgever valt, kan hij zijn bevoegdheid slechts uitoefenen na vooraf die andere wetgever te hebben geraadpleegd.” Zie eveneens CC, 21 december 2017, nr. 145/2017, overw. B. 60.2.  . Hoewel een dergelijk overleg niet mag leiden tot een afstand of overdracht van bevoegdheid, is het onontbeerlijk om de gevolgen van de genomen maatregelen voor de beleidsdomeinen die tot de bevoegdheidssfeer van de gemeenschappen en de gewesten behoren correct te kunnen inschatten en zich zo een juist beeld te vormen van het al dan niet evenredig karakter van de genomen maatregelen. Een dergelijk overleg is een voorwaarde die moet vervuld zijn om met het evenredigheidsbeginsel in overeenstemming te kunnen zijn.

Deze verplichting om overleg te plegen sluit overigens niet uit dat de federale overheid, gelet op de verwevenheid van de bevoegdheden, het overleg voert in het overlegcomité, opgericht bij de artikelen 31 en 31/1 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en over de te nemen maatregelen een consensus nastreeft.

Het kan evenwel gebeuren dat, in spoedeisende situaties, Voetnoot 78 van het geciteerde advies: Verwezen wordt naar randnummers 66 en 67 hieronder in verband met de gevallen waarin zich noodsituaties zouden kunnen voordoen waarin heel snel maatregelen genomen moeten worden ter bestrijding van een epidemische noodsituatie, zoals die welke beoogd worden in het voorontwerp.  dit overleg niet kan plaatsvinden, omdat anders de doeltreffendheid van de te nemen maatregelen aangetast zou worden. Wanneer dat het geval is, moet de federale overheid kunnen verantwoorden waarom het niet mogelijk is dat overleg te plegen en moet ze, vervolgens, dat overleg aanvatten zodra de omstandigheden dat toelaten.

35. De federale overheid moet er ten slotte, als derde voorwaarde, ook over waken dat zij zich strikt beperkt tot hetgeen kan worden ingepast in haar bevoegdheden inzake sanitaire politie, civiele bescherming of civiele veiligheid en daarbij niet overgaat tot het louter uitoefenen van de materiële bevoegdheden van een andere overheid. Het komt de federale overheid niet toe om, in het kader van de bestrijding van een epidemische noodsituatie op grond van de bevoegdheden inzake bestuurlijke politie, civiele bescherming en/of civiele veiligheid, maatregelen te nemen zonder sanitaire dimensie. Zo kan de federale overheid bv. een mondmaskerplicht en een sociale afstandsvereiste opleggen in scholen en musea, voor zover dat een evenredige en noodzakelijke maatregel is (randnummer 33), en – in uiterste omstandigheden – zelfs beslissen deze te sluiten Voetnoot 79 van het geciteerde advies: Reeds in voornoemde advies 67.142/AV van 25 maart 2020 heeft de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving gesteld dat de Koning op grond van de hem toegekende bijzondere machten bevoegd was tot “het sluiten van scholen of universiteiten”.  . Ze kan daarbij evenwel niet aan de gemeenschappen alternatieve regelingen voor het onderwijs en voor cultuurbeleving opleggen, zoals bv. de verplichting om afstandsonderwijs aan te bieden of om in een online-museum-aanbod te voorzien, of – omgekeerd – deze uitsluiten. Dergelijke maatregelen kunnen immers niet als sanitaire maatregelen worden beschouwd.

36. Wanneer de federale maatregelen voldoen aan de strikte vereisten van materiële evenredigheid (randnummer 33) en overleg (randnummer 34) en niet het kader te buiten gaan van wat als sanitaire maatregelen kan worden gekwalificeerd (randnummer 35), kan het belangrijkste aspect ervan, gelet op hun inzet, geacht worden te vallen binnen de federale bevoegdheid inzake sanitaire politie, civiele bescherming en/of civiele veiligheid telkens het de strijd tegen een epidemische noodsituatie betreft, ook al hebben deze maatregelen een ingrijpende weerslag op de beleidsdomeinen van andere overheden.

37. De Raad van State komt tot deze inzichten mede gelet op de aard en de inzet van de federale bevoegdheden. Bij de bestrijding van een epidemische noodsituatie moet de uitoefening van de bevoegdheden inzake sanitaire politie, civiele bescherming en/of civiele veiligheid het immers mogelijk maken de hele bevolking te beschermen en het voortbestaan ervan te verzekeren. Het zou de adequate en efficiënte uitoefening van deze bevoegdheden onmogelijk maken indien de federale overheid geen maatregelen zou kunnen nemen met een ingrijpende weerslag op de beleidsdomeinen van andere overheden, met dien verstande dat de hiervoor genoemde voorwaarden (randnummers 33, 34 en 35), die er telkens op gericht zijn de deelstatelijke bevoegdheden te beschermen, strikt worden nageleefd.

(B) Verhouding van federale bevoegdheden tot de deelstatelijke bevoegdheden inzake sanitaire maatregelen

38. Uit de bevoegdheidsrechtelijke analyse van de deelstatelijke bevoegdheden is gebleken dat niet alleen de federale overheid, doch ook de gemeenschappen en de gewesten sanitaire maatregelen kunnen nemen: enerzijds kunnen de gemeenschappen dit op grond van hun bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg (randnummers 24-27), anderzijds kunnen de gemeenschappen en ook de gewesten dit op grond van de overige hun toegewezen materiële bevoegdheden. (randnummers 28-29). Zoals hiervoor reeds is gebleken, kan het daarbij ook gaan om maatregelen die gelijkaardig zijn aan de maatregelen die de federale overheid kan nemen op grond van haar bevoegdheden inzake sanitaire politie, civiele veiligheid en/of civiele bescherming, zij het dat het toepassingsgebied van de deelstatelijke maatregelen veelal specifieker zal zijn.

39. Over de verhouding tussen de maatregelen genomen op grond van de federale bevoegdheden inzake sanitaire politie, civiele bescherming en/of civiele veiligheid enerzijds en de sanitaire maatregelen die de gemeenschappen kunnen nemen op grond van hun bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg - meer bepaald de maatregelen vermeld in randnummer 26 van dit advies – heeft de Raad van State, in zijn voornoemde advies 68.338/3-AV van 12 januari 2021, gesteld dat de sanitaire maatregelen van preventieve gezondheidszorg kunnen worden toegepast “naast de maatregelen waarvoor de federale overheid bevoegd is”. Immers, aldus de Raad: “Het bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel gebiedt in dat geval dat de bevoegdheidsuitoefening door de Duitstalige Gemeenschap de tenuitvoerlegging van de federale maatregelen niet onmogelijk mag maken of onevenredig mag bemoeilijken. Voetnoot 80 van het geciteerde advies: Voetnoot 27 in de geciteerde tekst: In dat verband verklaarde de Minister bevoegd voor gezondheid bij de parlementaire bespreking van het in opmerking 2.2 aangehaalde ontwerp van decreet reeds dat “die Regierung dürfe selbstverständlich keine Maßnahmen und Initiativen ergreifen, die dem Föderalstaat oblägen, z. B. die Verhängung eines Lockdowns” (Parl.St. Parl.D.Gem. 2020-21, nr. 106/3, 4).  Dat houdt onder meer in dat de maatregelen van de Duitstalige Gemeenschap er niet toe mogen leiden dat de federale maatregelen hun effectiviteit verliezen, door een versoepeling ervan of door ze geheel of gedeeltelijk teniet te doen.” Voetnoot 81 van het geciteerde advies: Voornoemde adv. RvS 68.388/3/AV van 12 januari 2021, opm. 5.1.1 

40. Concreet betekent dit dat, bijvoorbeeld, de gemeenschappen in het kader van hun bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg een mondmasker- of sociale afstandsvereiste kunnen invoeren, (zie voor de voorwaarden supra, randnummers 26 en 27) doch dat zij daarbij de eventueel reeds door de federale overheid uitgevaardigde verplichtingen dienen te eerbiedigen, wat impliceert dat zij deze wel kunnen verstrengen, doch niet versoepelen.

41. Over de verhouding tussen de maatregelen genomen op grond van de federale bevoegdheden inzake sanitaire politie, civiele bescherming en/of civiele veiligheid enerzijds en de sanitaire maatregelen genomen door de gemeenschappen en gewesten op grond van hun overige materiële bevoegdheden – meer bepaald de maatregelen vermeld in randnummers 28 en 29 van dit advies – , anderzijds, heeft de Raad van State in zijn voormelde advies 68.338/3-AV van 12 januari 2021 in dezelfde zin gesteld dat, ook wat deze bevoegdheden betreft, door de gemeenschappen en gewesten “het bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen, wat inhoudt dat de uitoefening van bevoegdheden van andere overheden, zoals de maatregelen die de federale overheid heeft genomen in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie in het kader van haar residuaire bevoegdheid inzake onder meer civiele bescherming, civiele veiligheid, algemene politie en volksgezondheid, niet onmogelijk mag worden gemaakt of overdreven mag worden bemoeilijkt. Dat houdt onder meer in dat de maatregelen van de Duitstalige Gemeenschap er niet toe mogen leiden dat de federale maatregelen hun effectiviteit verliezen, door een versoepeling ervan of door ze geheel of gedeeltelijk teniet te doen.” Voetnoot 82 van het geciteerde advies: Voornoemde adv. RvS 68.388/3/AV van 12 januari 2021, opm. 5.2.4. 

42. Concreet betekent dat onder meer dat de deelstaten in de context van een volksgezondheidscrisis maatregelen mogen treffen in het kader van hun materiële bevoegdheden, met eerbiediging evenwel van de maatregelen die de federale overheid genomen heeft op basis van haar hierboven opgesomde bevoegdheden. Er staat dus daadwerkelijk niets aan in de weg dat een gemeenschap bijvoorbeeld de musea op haar grondgebied sluit in het geval dat de federale overheid alleen de toegang ertoe beperkt zou hebben. Als de federale overheid, met inachtneming van het zo-even geschetste evenredigheidsbeginsel, beslist heeft de musea op heel het grondgebied te sluiten, zal een gemeenschap daarentegen niet kunnen beslissen om de musea op haar grondgebied te openen. Dezelfde redenering geldt bijvoorbeeld voor het openen van de scholen.”

Zie, in dezelfde zin:

Advies 69.253/AV van de Raad van State van 23 april 2021 over een ontwerp van ministerieel besluit ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken ’, blz. 15;

Advies 69.305/AV van de Raad van State van 6 mei 2021 over een ontwerp van ministerieel besluit ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’, blz. 48.

Lees meer

Advies 66.238/4 van de Raad van State van 26 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Waalse regering ‘portant sur l’insertion des clauses environnementales, sociales et éthiques dans les marchés publics subsidiés par la Région wallonne et portant modification de divers arrêtés’

Blz. 6:

« OBSERVATIONS GÉNÉRALES

[…]

1.2. Par le décret du 2 mai 2019, la Région wallonne a réglé le régime d’octroi de subventions dans différentes matières qui relèvent notamment du logement, de l’urbanisme et de l’aménagement du territoire, et de l’énergie. L’arrêté en projet entend pourvoir à l’exécution de ce décret ainsi qu’à celle d’une disposition du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, similaire à celles, nouvelles, prévues par le décret du 2 mai 2019 dans les matières précitées.

Ce faisant, la Région wallonne intervient au titre des compétences que la loi spéciale du 8 aout 1980 – spécialement l’article 6, § 1er, IV (logement), VII (énergie) Voetnoot 4 van het geciteerde advies: Contrairement au décret du 2 mai 2019, l’arrêté en projet n’a cependant pas pour objet de régler cette matière. Sur ce point, il est renvoyé à l’observation finale n° 1 formulée ci-après. et VIII (pouvoirs subordonnés) – lui attribue dans ces différentes matières.

1.3. Lorsqu’un niveau de pouvoir met en place un régime de subventions dans une matière qui relève – nécessairement – de sa compétence, il peut subordonner l’octroi ou l’utilisation de la subvention au respect de conditions qui permettront de s’assurer que la subvention sera adéquatement et régulièrement employée au mieux, dans le but dans lequel elle est octroyée, et que les deniers publics échoiront, dans ce cadre, et dans le respect de principes qui s’imposent à tous les niveaux de pouvoirs – comme le principe d’égalité – à une personne physique ou morale qui remplit des conditions assurant son intégrité et sa probité, ce qui garantit le bon et sain usage des finances publiques.

Parmi ces conditions figurent celles qui visent à imposer le respect de législations préexistantes, relevant ou pas de la compétence du niveau de pouvoir qui met en place le régime de subventions considéré. Ainsi, à titre d’exemple, rien ne s’oppose en principe à ce que la Région wallonne impose le respect de la législation fédérale en matière de marchés publics, ou des législations fédérales sociales et fiscales, au titre d’octroi d’une subvention relative à un marché de travaux en vue de la construction de logement sociaux.

Par