Wetshistoriek

Oorspronkelijk artikel van 1831.

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Grondwettelijk Hof 11 juni 2015, nr. 86/2015

"B.8. Een wetgevende machtiging ten gunste van de uitvoerende macht die een aangelegenheid betreft die niet door de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, is niet ongrondwettig. In dat geval maakt de wetgever immers gebruik van de hem door de Grondwetgever verleende vrijheid om in een dergelijke aangelegenheid te beschikken. Het Hof is niet bevoegd om een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht regelt, tenzij die bepaling indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of tenzij de wetgever een categorie van personen het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet, ontzegt. Het is dus ten aanzien van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet dat het Hof het derde middel onderzoekt.

[…]

B.22.4. De artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet verzetten zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderworpen, en verbieden de wetgever niet om delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies."

Zie, in dezelfde zin:

Grondwettelijk Hof 9 juni 2016, nr. 89/2016, B.6.1.

Lees meer

Grondwettelijk Hof 19 november 2015, nr. 162/2015

"B.8.1. In het tweede middel wordt eveneens aangeklaagd dat de bestreden bepalingen aan de havenbedrijven de bevoegdheid toekennen om de havengelden vast te stellen.

B.8.2. Het havenbedrijf is een gedecentraliseerde openbare instelling die over ruime autonomie beschikt en die aan een bestuurlijk toezicht is onderworpen. Volgens artikel 2, 1°, van het Havendecreet is het havenbedrijf « elke publiekrechtelijke overheid die als taak heeft het beheer en de exploitatie van de in 5°, 6°, 7° en 8° van dit artikel bedoelde havengebieden en die de havenbestuurlijke bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de bepalingen van dit decreet ».

B.8.3. Enerzijds, blijkt uit het onderzoek van het eerste middel dat de bij de artikelen 2, 1°, en 6 van het decreet van 28 februari 2014 aan het bevoegde havenbedrijf toegekende bevoegdheid om een « reglement » inzake havengelden aan te nemen geen delegatie aan die instelling uitmaakt om haar eigen bevoegdheid te bepalen.

B.8.4. Anderzijds, vormt de bevoegdheid die aan het bevoegde havenbedrijf is toegekend om een « reglement » inzake havengelden aan te nemen, evenmin een delegatie aan een gedecentraliseerde openbare instelling van een algemene verordeningsbevoegdheid die krachtens de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel door de Vlaamse Regering kan worden uitgeoefend.

Artikel 33 van de Grondwet en artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 staan niet eraan in de weg dat de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een gedecentraliseerde openbare instelling die aan een bestuurlijk toezicht en aan een rechterlijke toetsing is onderworpen."

Lees meer

Grondwettelijk Hof 9 juni 2016, nr. 89/2016

“B.9.6.4. De artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet verzetten zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderworpen, en verbieden de wetgever niet om delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies.