Wetshistoriek

Oorspronkelijk artikel van 1831.

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Taalgebruik: algemeen

Grondwettelijk Hof 30 juni 2014, nr. 97/2014

“B.3.2. Artikel 129 van de Grondwet bepaalt :

« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, elk voor zich, bij decreet, het gebruik van de talen voor :

1° de bestuurszaken;

2° het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen;

3° de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.

§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft :

- de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat. Voor deze gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in § 1 geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid;

- de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn;

- de door de wet aangewezen federale en internationale instellingen waarvan de werking gemeen is aan meer dan één gemeenschap ».

B.3.3. Uit die bepaling volgt dat de bevoegdheid om het gebruik van de talen in de aangelegenheid van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd te regelen niet aan de gemeenschappen is toegewezen.

B.3.4. Door, onder de voorwaarden die het mogelijk maken een vergunning te verkrijgen om kinderopvang te kunnen organiseren, te bepalen dat de verantwoordelijke en ten minste een van de kinderbegeleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal moeten beschikken, regelt artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 op geen enkele wijze het gebruik van die taal door de betrokken personen, noch in hun betrekkingen met de kinderen en met de ouders, noch in de betrekkingen tussen de personeelsleden van de kinderopvanglocatie. Die bepaling verhindert dus niet het gebruik van andere talen in de kinderopvangvoorziening.

De in B.2.3 aangehaalde memorie van toelichting toont aan dat de decreetgever, door die voorwaarde inzake taalkennis op te leggen, de bedoeling had zich ervan te vergewissen dat, enerzijds, de regelgeving ter zake en de richtlijnen van Kind en Gezin zouden worden begrepen en correct zouden worden toegepast in de kinderopvanglocatie en dat, anderzijds, de betrekkingen met de Nederlandstalige ouders zouden worden vergemakkelijkt.

B.3.5. De gemeenschappen zijn, krachtens artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd voor de aangelegenheid van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd. Bij de uitoefening van die bevoegdheid kunnen zij bepalen dat het organiseren, bij wijze van beroep en tegen betaling, van de opvang van die kinderen het verkrijgen van een voorafgaande vergunning vergt teneinde de kwaliteit van de opvang te waarborgen. Zij kunnen eveneens de voorwaarden bepalen die moeten worden vervuld om die vergunning te verkrijgen. Voor zover dergelijke bepaling een nauwe band vertoont met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang en onder voorbehoud van het onderzoek van de bestaanbaarheid van die voorwaarden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de bepalingen van het recht van de Europese Unie, kunnen zij, zonder hun bevoegdheid te overschrijden, bepalen dat de verantwoordelijke en één personeelslid een actieve kennis, in dit geval, van de Nederlandse taal moeten bezitten zonder evenwel het gebruik van die taal te kunnen regelen.

B.3.6. Daaruit volgt dat artikel 6, § 1, 4°, van het decreet van 20 april 2012 geen bepaling is die het gebruik van de talen regelt in de zin van artikel 129 van de Grondwet en dat de decreetgever bevoegd was om die bepaling aan te nemen aangezien het nauwe verband van die bepaling met de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake kinderopvang blijkt uit de in B.3.4 vermelde doelstellingen.

Bovendien toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht de bestreden bepaling afbreuk zou doen aan de rechten van de personen die wonen in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut, zodat er geen reden is om de aangevoerde schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 te onderzoeken.

[…]

B.5.8. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat « binnen hun respectieve werkingssfeer de artikelen 45 VWEU en 49 VWEU, alsook de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38 nationale maatregelen verbieden die een burger van een lidstaat beletten of ervan weerhouden deze lidstaat te verlaten om zijn recht van vrij verkeer binnen de Unie uit te oefenen. Dergelijke maatregelen vormen, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken staatsburgers van toepassing zijn, beperkingen van de door deze artikelen gewaarborgde fundamentele vrijheden » (HvJ, 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, punt 38 en aangehaalde rechtspraak). Het is ook vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het alle burgers van de Unie gemakkelijker beogen te maken, om het even welk beroep uit te oefenen op het gehele grondgebied van de Unie, en in de weg staan aan maatregelen die deze burgers minder gunstig behandelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen uitoefenen (HvJ, grote kamer, 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse Regering, C-212/06, punt 44).

De beperkingen van de bij het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer zijn echter toelaatbaar indien blijkt dat ermee een doelstelling van algemeen belang wordt nagestreefd, dat zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het ermee beoogde doel te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie met name HvJ, 5 december 2006, Cipolla e.a., C-94/04 en C-202/04, punt 61; 13 december 2007, United Pan-Europe Communications Belgium e.a., C-250/06, punt 39; grote kamer, 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse Regering, C-212/06, punt 55; grote kamer, 28 april 2009, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Italiaanse Republiek, C-518/06, punt 72; grote kamer, 16 april 2013, Las, C-202/11, punt 23; 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, punt 49).

B.6.1. De vereiste de actieve kennis van het Nederlands aan te tonen om verantwoordelijke te zijn van een vergunde voorziening voor de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd kan de uitoefening van de vrijheid van vestiging of van het recht van vrij verkeer door onderdanen van andere lidstaten welke die activiteit in de Vlaamse Gemeenschap wensen uit te oefenen en die niet kunnen aantonen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten, belemmeren of minder aantrekkelijk maken.

Die vereiste vormt derhalve een belemmering van het recht van vrije vestiging en van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Europese Unie.

B.6.2. De vergunning om een kinderopvangvoorziening te organiseren afhankelijk stellen van de voorwaarde dat ten minste één van de in die voorziening tewerkgestelde kleuterleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikt, heeft tot gevolg de personen welke die taal beheersen, bij het zoeken van een betrekking in die sector te bevoordelen tegenover diegenen die ze niet beheersen.

Die bepaling kan dus het recht van vrij verkeer van de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, die dat beroep wensen uit te oefenen en die niet kunnen bewijzen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten, belemmeren.

B.7.1. Volgens de in B.2.3 aangehaalde memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, worden die beperkingen verantwoord door de noodzaak om de van toepassing zijnde regelgeving, richtlijnen, aanbevelingen en gehanteerde instrumenten te kunnen verstaan en toe te passen op de werkvloer en om vlot contact met Nederlandstalige gezinnen te kunnen aangaan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 33).

B.7.2. Het kan rechtmatig zijn van een kandidaat voor een betrekking talenkennis op een zeker niveau te verlangen (HvJ, 28 november 1989, Groener, C-379/87, punt 20; 6 juni 2000, Angonese, C-281/98, punt 44), zelfs al dient de betrokkene die taal in de uitoefening van zijn ambt niet te gebruiken. Zo vereisen de dialoog met de gebruikers en de inachtneming van de juridische voorschriften die in de lidstaat van vestiging eigen zijn en de uitvoering van administratieve taken, een passende kennis van de taal van die Staat. De taalvereisten moeten waarborgen dat de betrokkene met de gebruikers en de administratieve autoriteiten van die Staat zinvol kan communiceren (HvJ, 4 juli 2000, Haim, C-424/97, punten 59 en 60).

B.7.3. De nagestreefde doelstelling is dus een doelstelling van algemeen belang die de beperkingen van de bij het VWEU gewaarborgde vrijheden van vestiging en van vrij verkeer adequaat kan verantwoorden.

B.8.1. Het Hof dient na te gaan of de in de bestreden bepaling vervatte beperking evenredig is met de aldus nagestreefde doelstelling. Volgens het Hof van Justitie mogen de taalvereisten immers niet verdergaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (ibid., punt 60).

B.8.2. Te dien aanzien dient allereerst te worden vastgesteld dat de vereiste de actieve kennis van het Nederlands aan te tonen enkel geldt voor de verantwoordelijke van de kinderopvanglocatie en voor één van de kinderbegeleiders. In kinderopvanglocaties waar meer dan één kinderbegeleider werkzaam is, geldt die verplichting derhalve niet voor de andere kinderbegeleiders.

B.8.3. Vervolgens belet die bepaling niet, zoals in B.3.4 en B.3.6 wordt gepreciseerd, dat die personen andere talen gebruiken. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid werd overigens uitdrukkelijk bevestigd dat die bepaling niet verhindert « dat ook exclusief anderstalige (niet-Nederlandstalige) kinderopvang mogelijk moet zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 42).

B.8.4. De bestreden bepaling preciseert niet wat onder « actieve kennis van de Nederlandse taal » dient te worden verstaan. De Vlaamse Regering dient dit nader te bepalen (artikel 6, § 5, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012). De parlementaire voorbereiding stelt :

« De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs, of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 33).

Bijgevolg is niet vereist dat de betrokkenen over een Nederlandstalig diploma beschikken. Degenen die dat niet hebben, kunnen een taaltest afleggen. Het in de parlementaire voorbereiding aangegeven niveau voor die test is bovendien niet van die aard dat die taaltest overdreven moeilijk zou zijn of niet in verhouding zou staan tot de functie. Het staat in voorkomend geval aan het bevoegde rechtscollege om te onderzoeken of het door de Vlaamse Regering bepaalde niveau in overeenstemming is met die precisering.

B.8.5. Ten slotte bepaalt artikel 6, § 7, van het decreet van 20 april 2012 :

« De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan ».

Bijgevolg kan de Vlaamse Regering ook een afwijking toestaan van de regel dat de verantwoordelijke en ten minste één kinderbegeleider moeten aantonen dat ze over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikken, voor zover de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang daardoor niet in het gedrang komen.

B.9.1. Gelet op de in B.8.2 tot B.8.5 vermelde preciseringen zijn de in de bestreden bepaling vervatte beperkingen van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden niet onevenredig.

[…]

B.14. Artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 bepaalt ook dat de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden om de basissubsidie te verkrijgen tenminste voorwaarden moeten omvatten van « gebruik van het Nederlands in de werking van de kinderopvanglocatie ».

B.15. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt :

« Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ».

Artikel 129 van de Grondwet is aangehaald in B.3.2.

B.16.1. Onverminderd de uitzonderingen vermeld in artikel 129, § 2, van de Grondwet wat betreft de gemeenten, de diensten en de instellingen die daarin worden beoogd, wordt het gebruik der talen enkel aan de gemeenschappen toevertrouwd in de drie aangelegenheden bedoeld in artikel 129, § 1, van de Grondwet. Die bevoegdheid is onderscheiden van de materiële bevoegdheden van de gemeenschappen. Uit de bevoegdheid van de gemeenschappen om de aangelegenheid van de opvang van de kinderen in de voorschoolse leeftijd te regelen, vloeit dus niet voort dat de decreetgever door dat enkele feit bevoegd zou zijn om te bepalen in welke taal de kinderopvanglocaties moeten functioneren.

B.16.2. De bevoegdheden waarmee de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten zijn bekleed om uitgaven te doen in het raam van hun openbaar beleid of in de vorm van subsidies toegekend aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen zijn ondergeschikt aan de materiële bevoegdheid waarvoor die financiële middelen bestemd zijn, onder voorbehoud van de eventuele uitzonderingen waarin de Grondwet of de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorziet. Zo behoort de financiering van een beleid tot het « regelen » van de aangelegenheid waaronder dat beleid valt. Een overheid kan geen financiële middelen toekennen aan projecten die niet onder haar bevoegdheden vallen.

B.16.3. De gemeenschappen mogen derhalve niet, middels subsidies, en behoudens de in artikel 129, § 1, van de Grondwet bedoelde aangelegenheden, het gebruik der talen regelen.

B.17.1. Het blijkt duidelijk, zowel uit de tekst van artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 als uit het uittreksel van de in B.11.2 aangehaalde memorie van toelichting dat de decreetgever elke mogelijkheid om subsidies te verkrijgen enkel wil voorbehouden aan de structuren die kunnen bewijzen dat de Nederlandse taal daadwerkelijk wordt gebruikt in de werking van de kinderopvanglocatie. Het gaat bijgevolg om een maatregel waarbij het gebruik der talen wordt geregeld.

B.17.2. Aangezien de decreetgever niet bevoegd is om het gebruik der talen te regelen in de opvangvoorzieningen voor kinderen in de voorschoolse leeftijd kan hij geen bepalingen ter zake aannemen, ongeacht het onderwerp van die bepalingen.

[…]

B.20. De verzoekende partijen gaan ervan uit dat artikel 7, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012, door het verkrijgen van de basissubsidie afhankelijk te stellen van de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden voor de actieve taalkennis van het Nederlands voor de kinderbegeleiders, een beperking in het leven roept van het recht van vrij verkeer van werknemers die onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie, en een discriminatie op grond van de taal of de nationaliteit bevat.

B.21. In zoverre het vierde middel in de zaak nr. 5539 de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3 van de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, dient te worden vastgesteld dat die verordening is opgeheven en vervangen door de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Het Hof vermag bijgevolg niet de bestreden bepaling te toetsen aan de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968.

B.22. De basissubsidie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat kinderbegeleiders over een actieve kennis van de Nederlandse taal beschikken heeft tot gevolg de personen welke die taal beheersen, bij het zoeken van een betrekking in die sector, te bevoordelen tegenover diegenen die haar niet beheersen.

Die bepaling kan dus het recht van vrij verkeer belemmeren van de werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten, die dat beroep wensen uit te oefenen en die niet kunnen bewijzen dat zij een actieve kennis van die taal bezitten.

B.23. Volgens de in B.11.2 aangehaalde memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, strekt de bestreden maatregel, enerzijds, ertoe de regelgeving correct te kunnen interpreteren en toe te passen op de werkvloer en, anderzijds, de verwerving van de Nederlandse taal als de voertaal in de Vlaamse samenleving en als de taal van het Vlaamse onderwijs te stimuleren bij jonge kinderen wier ouders wensen dat zij in die taal worden opgevoed (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 42).

B.24.1. Uit de in B.7 en B.8 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het om doelstellingen van algemeen belang gaat die de beperkingen van de bij het VWEU gewaarborgde vrijheid van vrij verkeer adequaat kunnen verantwoorden.

B.24.2. Het Hof dient voorts na te gaan of de in de bestreden bepaling vervatte beperking niet onevenredig is ten aanzien van de aldus nagestreefde doelstellingen.

B.24.3. De vereiste van actieve kennis van het Nederlands ten aanzien van alle kinderbegeleiders gaat niet verder dan datgene wat is vereist door de bij de bestreden bepaling nagestreefde doelstellingen. Opdat elke ouder die wenst dat zijn kind in het Nederlands wordt opgevangen, de garantie heeft dat daaraan zal worden voldaan wanneer hij zich tot een door de Vlaamse overheid gesubsidieerde kinderopvanglocatie wendt, kon de decreetgever immers het noodzakelijk achten dat al het personeel van de gesubsidieerde kinderopvanglocaties het bewijs kan leveren van een voldoende kennis van die taal.

Bovendien blijkt uit de in B.11.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat de decreetgever eveneens wenst dat er binnen de kinderopvanglocaties « aandacht voor de thuistaal » van het kind is wanneer die niet het Nederlands is, zodat anderstalige kinderen zich eveneens veilig en goed voelen.

B.24.4. De bestreden bepaling preciseert niet wat onder « actieve taalkennis van het Nederlands » dient te worden verstaan. De Vlaamse Regering dient dit nader te bepalen. In de parlementaire voorbereiding werd dienaangaande het volgende verklaard :

« De taalkennis zal bewezen kunnen worden aan de hand van een behaald Nederlandstalig kwalificatiebewijs, of een taaltest (minimum niveau B2 volgens het Europees referentiekader voor de talen) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1395/1, p. 43).

Bijgevolg is niet vereist dat de betrokkenen over een Nederlandstalig diploma beschikken. Degenen die dat niet hebben, kunnen een taaltest afleggen. Het in de parlementaire voorbereiding vermelde niveau voor die test is bovendien niet van die aard dat die taaltest overdreven moeilijk zou zijn of niet in verhouding zou staan tot de functie. Het staat in voorkomend geval aan het bevoegde rechtscollege om te onderzoeken of het door de Vlaamse Regering bepaalde niveau in overeenstemming is met die precisering.”

Lees meer

Grondwettelijk Hof 21 mei 2015, nr. 60/2015

“B.29. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen II.10 en III.20 van het decreet van 19 juli 2013, van het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de artikelen 30 en 129 van de Grondwet. Uit die grondwetsbepalingen zou volgen dat de decreetgever het verplichte gebruik van het Nederlands niet aan het huisonderwijs zou kunnen opleggen, maar zulks wel zou hebben gedaan door de examens in het Nederlands te organiseren. Voor de leerplichtige die onderwijs in een andere taal geniet zou het slagen voor die examens dan ook ernstig worden bemoeilijkt, zo niet onmogelijk worden gemaakt.