Wetshistoriek

Vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 (BS 20 juli 1993 (tweede editie)).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Artikel 11, lid 1: Bevoegdheid

Grondwettelijk Hof 19 september 2014, nr. 130/2014

“B.12.2. Naar luid van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kunnen, binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gewesten, de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen. Krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen is die bepaling van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Binnen de grenzen van hun bevoegdheden inzake de in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 vermelde gewestelijke belastingen, komt het bijgevolg aan de gewesten toe de inbreuken op de door hen vastgestelde bepalingen inzake gewestelijke belastingen vast te stellen en de desbetreffende straffen te bepalen.

Zolang de federale overheid evenwel zorgt voor de dienst van de gewestelijke belastingen, bepaalt zij, overeenkomstig artikel 5, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989, de procedureregels en derhalve ook de sancties op de overtreding van die regels.

B.12.3. Rekening houdend met het feit dat de Grondwetgever en de bijzondere wetgever moeten worden geacht aan de gewesten de volledige bevoegdheid te hebben willen toekennen tot het uitvaardigen van de regels met betrekking tot de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9°, bedoelde belastingen, dient ervan te worden uitgegaan dat de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten en de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gelet op het feit dat zij de straffen bepalen op de overtreding, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, van de bepalingen van het Wetboek der successierechten en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, met name betrekking hebben op strafbaarstellingen die de niet-naleving betreffen van bepalingen die tot de bevoegdheid van de gewesten behoren.

B.12.4. Op grond van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten niet alleen bevoegd om de niet-naleving van de door hen aangenomen bepalingen strafbaar te stellen, maar eveneens - onder voorbehoud van de principiële naleving van de bepalingen van boek I van het Strafwetboek - om de nadere modaliteiten van de strafbaarstelling, waaronder de regels betreffende het vrijstellen van strafvervolging of van straf, te regelen.

Door de wijze te bepalen waarop personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdrijven bedoeld in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten en in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - in zoverre zij de niet-naleving van bepalingen die tot de bevoegdheid van de gewesten behoren, strafbaar stellen - een vrijstelling van strafvervolging uit dien hoofde kunnen bekomen, heeft de federale wetgever, in strijd met de bevoegdheidverdelende regels, een nadere modaliteit geregeld van strafbaarstellingen die behoren tot de bevoegdheid van de gewesten.

B.13. Mede gelet op het feit dat de in artikel 127 van de programmawet van 27 december 2005 bedoelde strafrechtelijke immuniteit een essentieel aspect vormt van een regularisatie en die bepaling niet kan worden losgekoppeld van de andere bepalingen van hoofdstuk VI van die wet, zijn de bestreden bepalingen, in zoverre zij betrekking hebben op de regularisatie van de in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 bedoelde successie- en registratierechten, niet in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels.”

Lees meer

Grondwettelijk Hof 19 oktober 2017, nr. 121/2017

“B.4. Uit artikel 47 van het Antidopingdecreet volgt dat een sporter die ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportactiviteit een strafbaar gesteld feit vermeld in artikel 46, 1°, heeft gepleegd, dit alleen aanleiding kan geven tot disciplinaire sancties.