Wetshistoriek

Artikel ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 (BS 13 augustus 1988);

§ 4undecies ingevoegd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 (BS 31 januari 2014 (eerste editie)).

Lees meer

Parlementaire voorbereiding

Parlementaire voorbereiding van de wijzigingen aangebracht door de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming

Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2232/1

INHOUD VAN HET VOORSTEL

Blz. 9:

“II. Justitie

Het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober 2011 voorziet in diverse institutionele hervormingen inzake justitie. Het bepaalt immers het volgende :

«In de materies die tot hun bevoegdheden behoren zullen de deelstaten met de Federale Staat een Samenwerkingsakkoord sluiten dat betrekking zal hebben op :

het vervolgingsbeleid van het Openbaar ministerie en het opstellen van richtlijnen inzake het strafrechtelijk beleid;

het formaliseren van de vertegenwoordiging van deelstaten in het College van procureurs-generaal;

de kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan.

Justitiehuizen : communautarisering van de organisatie en de bevoegdheden met betrekking tot strafuitvoering, slachtofferonthaal, eerstelijnshulp en betoelaagde opdrachten. Een Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de deelstaten zal, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, gesloten worden om het partnership te organiseren;

communautarisering (GGC in Brussel) van de volgende materies :

— het bepalen van de aard van de maatregelen ten aanzien van de minderjarigen die een als strafbaar omschreven feit hebben gepleegd;

— de regels inzake de uithandengeving;

— de regels inzake de plaatsing in een gesloten instelling;

— de gesloten instellingen, volgens nader te bepalen uitvoeringsregels.»

Artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 28, a), artikel 37 en artikel 42, 7° en 8°, van dit voorstel strekken ertoe deze punten van het Institutionele Akkoord uit te voeren.

Verder dient dit wetsvoorstel samen te worden gelezen met het wetsvoorstel met betrekking tot de Zesde Staatshervorming inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, en de voorstellen tot herziening van de artikelen 144 en 151 van de Grondwet (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nrs. 5-2242/1 et 5-2243/1).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Blz. 52:

Artikel 9

[…]

3. Justitiehuizen

In 1999 heeft de Federale Staat binnen het ministerie van Justitie de dienst Justitiehuizen opgericht, die sinds 2007 een zelfstandig directoraat-generaal Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie is geworden.

De organisatie, de werking en de opdrachten van de justitiehuizen worden op dit moment bepaald door federale regels. Het gaat voornamelijk om het koninklijk besluit van 13 juni 1999 houdende organisatie van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie en om het ministerieel besluit van 23 juni 1999 tot vaststelling van de basisinstructies voor de justitiehuizen.

Dit voorstel van bijzondere wet draagt aan de gemeenschappen de volledige bevoegdheid over om eigen regels uit te vaardigen inzake de organisatie en de werking van de justitiehuizen alsmede om hun opdrachten toe te kennen binnen hun bevoegdheden. Dit voorstel vertrouwt evenzeer de volledige bevoegdheid toe aan de gemeenschappen inzake de uitvoering van de opdrachten die aan de justitiehuizen worden toevertrouwd overeenkomstig inzonderheid artikel 2 van koninklijk besluit van 13 juni 1999 houdende de organisatie van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie van 13 juni 1999 en overeenkomstig artikel 1N, A2, van het bijvoegsel bij het ministerieel Besluit van 23 juni 1999 tot vastlegging van de basisrichtlijnen aan de justitiehuizen. Daartoe herstelt dit voorstel artikel 5, § 1, III, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Zodoende kunnen ze de structuren bepalen waarbinnen deze opdrachten worden uitgevoerd. Die zijn, wat de uitvoering van de actuele opdrachten van de justitiehuizen betreft, tot nu toe bepaald in artikel 2N, A3 van de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 juni 1999 tot vaststelling van de basisinstructies voor de justitiehuizen.

Bovendien zullen ze alle regels kunnen bepalen die betrekking hebben op de leiding, de samenstelling en, binnen de grenzen van hun territoriale bevoegdheden, van het ressort van de justitiehuizen, alsook de interne structuur en werking ervan die op dit moment bepaald worden in artikel 3N van de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 juni 1999 tot vaststelling van de basisinstructies voor de justitiehuizen. De werking van het secretariaat van de probatiecommissie wordt eveneens overgeheveld naar de gemeenschappen.

Naast de ter beschikking gestelde financiële middelen voor de werking van het directoraat-generaal justitiehuizen, worden ook de subsidies die momenteel toegekend worden door het directoraat-generaal van de justitiehuizen in het kader van het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure, overgedragen aan de gemeenschappen.

Naast het vaststellen van de wijze waarop de opdrachten van de justitiehuizen zullen worden uitgeoefend, zullen de gemeenschappen ook eigen opdrachten kunnen toekennen aan de justitiehuizen in de aangelegenheden die onder hun materiële bevoegdheden vallen. Op die manier zullen ze bijvoorbeeld de slachtofferhulpdiensten van de gemeenschappen kunnen fuseren met de opvangdienst voor slachtoffers binnen de justitiehuizen en zodoende bevoegdheden inzake slachtofferhulp aan die laatste toekennen, of omgekeerd de huidige opdrachten van de justitiehuizen op het vlak van slachtofferopvang toekennen aan de slachtofferhulpdiensten van de gemeenschappen.

De Federale Staat blijft echter bevoegd voor de procedure die van toepassing is voor de rechtbankenVoetnoot 1 van het geciteerde voorstel van bijzondere wet: GWH, nr. 268/2004. alsook voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen en voor de strafuitvoeringVoetnoot 2 van het geciteerde voorstel van bijzondere wet: GWH nr. 109/2006., hierin begrepen de bepaling van het justitiehuis dat territoriaal bevoegd is voor de uitvoering van de opdrachten die eronder vallen, op basis van de criteria die de staat vastlegt in de wet, de reglementaire bepalingen, de richtlijnen of de bestaande praktijken.

Aldus wijst de opdrachtgevende overheid op basis van de bestaande regels en praktijken het justitiehuis aan om de opdracht uit te voeren die ze het toevertrouwt indien in een gerechtelijk arrondissement meerdere justitiehuizen zijn gevestigd. Dit is eveneens het geval in de hypothese van een overdracht van een dossier tijdens de uitvoering van de opdracht. In een dergelijk geval, bijvoorbeeld in strafzaken, wijst de opdrachtgevende overheid een van de justitiehuizen van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfsplaats van de rechtzoekende aan.

Daaruit volgt dat de bepaling van de gevallen waarin een opdrachtgevende gerechtelijke of administratieve overheid de mogelijkheid heeft om een onderzoek te laten uitvoeren Voetnoot 3 van het geciteerde voorstel van bijzondere wet: De Federale Staat blijft eveneens bevoegd om de inhoud van deze sociale enquête of van dit beknopt voorlichtingsrapport te bepalen (advies van de Raad van State nr. 42.060/2)., in de vorm van een maatschappelijk onderzoek of een beknopt voorlichtingsrapportVoetnoot 4 van het geciteerde voorstel van bijzondere wet: Advies van de Raad van State, 28.495/4 en 28.496/4; GWH nr. 66/88, 10, B.1. of een persoon aan een controle te onderwerpen of een opleiding te doen volgen, deel zal blijven uitmaken van de bevoegdheid van de federale wetgever. De opstelling en de verzending van verslagen over de maatschappelijke onderzoeken en het verloop van de toezichts- en begeleidingsopdrachten zal evenwel behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen.

De justitiehuizen die in het kader van hun burgerlijke en strafrechtelijke opdrachten instaan voor de uitvoering van deze onderzoeken en deze controles of opleidingen, oefenen dus onontbeerlijke opdrachten uit voor de federale bevoegdheidsuitoefening. Door de uitvoering van deze informatie-, advies-, toezichts- en opleidingstaken nemen ze immers deel aan het tot stand brengen of aan de uitvoering van een gerechtelijke beslissing. Dat is ook het geval voor hun opdrachten inzake de opvang van de slachtoffers tijdens de verschillende fases van de juridische procedure.

Het is dus noodzakelijk dat de opdrachten die hun op dit ogenblik zijn toegekend door de Federale Staat in het kader van de gerechtelijke procedure of van de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, verder worden uitgeoefend door de justitiehuizen, die voortaan evenwel zullen afhangen van de gemeenschappen. Deze opdrachten maken het voorwerp uit van inzonderheid artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 houdende organisatie van de Dienst Justitiehuizen van het ministerie van Justitie en van artikel 1N, A2 van de bijlage bij het ministerieel besluit van 23 juni 1999 tot vaststelling van de basisinstructies voor de justitiehuizen.

Dat is de reden waarom, door de bevoegdheid voor de organisatie van de justitiehuizen aan de gemeenschappen toe te kennen, met inbegrip van de bevoegdheid om deze in organieke zin af te schaffen, dit voorstel van bijzondere wet evenwel niet tot doel heeft de gemeenschappen te machtigen de justitiehuizen in functionele zin eenzijdig af te schaffen, met name de door hen geleverde diensten. De gemeenschappen zullen hun bevoegdheid moeten uitoefenen met respect voor het evenredigheidsbeginsel, wat veronderstelt dat ze geen organisatie- of werkingsregels zullen kunnen vaststellen die de uitoefening door de Federale Staat van zijn eigen bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk zouden maken.

Om dezelfde redenen behoudt dit voorstel van bijzondere wet de bevoegdheid van de Federale Staat om de opdrachten te bepalen die de justitiehuizen uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of van de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen, met inbegrip van hun sensibiliserings- en ondersteuningsopdrachten.

De federale overheid en de desbetreffende gemeenschappen sluiten een Samenwerkingsakkoord inzake de uitoefening van de opdrachten die door de federale overheid zijn toevertrouwd aan de justitiehuizen over alle aspecten van de samenwerking, zowel naar kwaliteit, capaciteit en budgettaire implicaties, als inzake onder meer de organisatie van de overlegstructuren tussen de vertegenwoordigers van de opdrachtgevende overheden en van de justitiehuizen.

Dit akkoord moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van de huidige dienstverlening door de justitiehuizen behouden blijft.

Bovendien moet het akkoord ook ten minste het volgende organiseren :

— de informatiestroom tussen de verschillende actoren en de partners van de justitiehuizen die afhangen van de federale overheid (penitentiaire instellingen, openbaar ministerie, politie, strafuitvoeringsrechtbanken, enz.);

— de mechanismen voor het regelen van conflicten tussen de Federale Staat en de gemeenschappen (procedure en instantie die belast is met het beslechten van conflicten) in het kader van de uitvoering van de opdrachten die thans aan de gemeenschappen zijn toevertrouwd, alsook de opdrachten die hun in de toekomst door de federale overheid kunnen worden toevertrouwd;

— de samenwerkingsmodaliteiten tussen de justitiehuizen die onder verschillende gemeenschappen vallen.

Evenwel, alvorens de Federale Staat de opdrachten die kunnen worden uitgeoefend door de justitiehuizen wijzigt of uitbreidt, plegen de Federale Staat en de gemeenschappen overleg. Daartoe wijzigt artikel 28 van dit voorstel van bijzondere wet artikel 6, § 3bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Voortaan zullen de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling van het justitiehuis van Brussel afhankelijk zijn van respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap. Het zijn immers instellingen die gevestigd zijn binnen het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd als exclusief behorend tot respectievelijk de Vlaamse en de Franse Gemeenschap.

Het justitiehuis van Eupen zal deel uitmaken van de Duitstalige Gemeenschap.

Het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht wordt eveneens overgeheveld naar de gemeenschappen.

[…]

VOORSTEL VAN BIJZONDERE WET

[…]

HOOFDSTUK II

Wijzigingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen

Blz. 220:

Art. 42

In artikel 92bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 januari 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 16 maart 2004, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

[…]

8° er wordt een paragraaf 4undecies ingevoegd, luidende :

«§ 4undecies. De federale overheid en de gemeenschappen sluiten in ieder geval een Samenwerkingsakkoord voor de uitoefening van de in artikel 5, § 1, III, tweede lid bedoelde opdrachten.»;

[…]”

Lees meer

Advies van de Raad van State van 27 augustus 2013, Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2232/3

Blz. 12: