Wetshistoriek

Artikel ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 (BS 13 augustus 1988).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Grondwettelijk Hof 24 september 2015, nr.129/2015

“B.6. Het begrip « aanknopingspunt » heeft niet de draagwijdte die de verwijzende rechter eraan verleent. Het begrip strekt ertoe elke regeling die een wetgever uitvaardigt, te lokaliseren binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.

Het stelsel van exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling verzet zich te dezen ertegen dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen. Voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op de taxidiensten, en niet de ritten, die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest is krachtens artikel 92bis, § 2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een samenwerkingsakkoord vereist (zie het arrest nr. 85/2008, B.6.2).”

Lees meer

Advies van de Raad van State, zonder datum, over een voorontwerp van ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Parl.St. Brussels Hoofdstedelijk Parlement 2015-2016, nr. A-0351/1

Blz. 12:

“ALGEMENE OPMERKINGEN

TERRITORIALE BEVOEGDHEID VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

De ordonnantie van 22 november 1990 « betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest » (hierna « de ordonnantie van 22 november 1990 ») heeft, overeenkomstig artikel 1 ervan, betrekking op een « publiekrechtelijke vereniging die beschikt over de nodige rechtspersoonlijkheid en belast is met de uitbating van de openbare dienstverlening van het stedelijk openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig artikel 94, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen ».

Artikel 94, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« Onverminderd het bepaalde in artikel 83, §§ 2 en 3, blijven de procedures, regelingen en feitelijke toestanden die bestaan op 1 januari 1989 voor iedere aangelegenheid bedoeld in artikel 92bis, §§ 2, 3 en 4, van kracht totdat een samenwerkingsakkoord voor die aangelegenheid is gesloten».

Artikel 92bis, § 2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, luidt als volgt :

« § 2. De gewesten sluiten in ieder geval samenwerkingsakkoorden voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben : (…)

c) op de diensten voor gemeenschappelijk stads- en streekvervoer en taxidiensten die zich uitstrekken over meer dan één gewest; (…) ».

Zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State reeds heeft opgemerkt in advies 40.940/2/V, op 6 september 2006 gegeven over een voorontwerp dat geleid heeft tot de ordonnantie van 19 april 2007 « houdende diverse bepalingen inzake openbare dienst van openbaar stadsvervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » :

« [kan h]et ontwerp (…) niet in werking treden vóór het samenwerkingsakkoord in werking treedt dat krachtens het voormelde artikel 92bis, § 2, c), vereist is, tenzij het wordt herzien om het toepassingsgebied ervan te beperken tot de delen van het door de MIVB geëxploiteerde net die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden

(…).

In dit verband kan worden verwezen naar de opmerkingen van de afdeling Wetgeving in haar adviezen nrs. 19.934/9 en 20.183/9, gegeven op 28 mei en 26 september 1990, over het voorontwerp dat de ordonnantie van 22 november 1990 betreff ende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest geworden isVoetnoot 1 van het geciteerde advies: Voetnoot 2 van het geciteerde advies : Gedr. St. BHR, A-71/1, zitting
1990-91, blz. 20 en volgende en blz. 28 en volgende.
»Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Parl. St. Br. Parl. 2006-07, nr. A-348/1, 18-23..

Er bestaat weliswaar een samenwerkingsakkoord tussen het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verband met het geregeld vervoer van en naar het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, ondertekend te Brussel op 17 juni 1991 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 1991, maar dat heeft geen uitwerking omdat het de instemming van de betrokken wetgevers niet heeft verkregen terwijl die instemming, zoals reeds is opgemerkt, in casu vereist isVoetnoot 3 van het geciteerde advies: Zie in die zin advies 25.245/9, op 26 juni 1996 gegeven over een
ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 « tot bepaling van het lastenkohier waaraan de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel onderworpen is », opmerking over de bijlage.
.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het voorontwerp alleen van toepassing kan zijn op de overtredingen die begaan worden op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.”

Lees meer

Advies van de Raad van State van 26 oktober 2018 over een voorontwerp van decreet van het Vlaamse Gewest ‘betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer’, Parl.st. Vlaams Parlement 2018-2019, nr. 1780/1

Blz. 102:

"BEVOEGDHEID

4. Het voorontwerp behoort in zijn geheel genomen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake het “gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto’s met chauffeur (artikel 6, § 1, X, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (BWHI)).

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moet het Vlaamse Gewest rekening houden met artikel 92bis, § 2, c), BWHI. Krachtens deze bepaling moeten de gewesten een verplicht samenwerkingsakkoord sluiten over taxidiensten die zich uitstrekken over meer dan één Gewest.

5.1. Artikel 5, § 1, van het voorontwerp bepaalt dat zonder vergunning niemand “een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer [mag] exploiteren op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevindt”.

Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat artikel 92bis, § 2, c), BWHI zich ertegen verzet dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt met als specifiek doel of met als specifiek gevolg dat aangelegenheden worden geregeld die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen. Voetnoot 2 van het geciteerde advies: GwH 8 maart 2012, nr. 40/2012, B.6.2, GwH 27 mei 2008, nr. 85/2008, B.6.2.

In dat verband stelt het Hof bovendien vast dat het hanteren van het criterium van het vertrekpunt van de taxidienst een relevant aanknopingspunt is, dat het mogelijk maakt de gewestelijke regeling binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het gewest te lokaliseren. Voetnoot 3 van het geciteerde advies: GwH 8 maart 2012, nr. 40/2012, B.7.2, GwH 24 september 2015, nr. 129/2015, B.8.

5.2. Uit de memorie van toelichting bij artikel 5 van het voorontwerp blijkt dat de stellers beogen dat “een vergunning (…) vereist [is] wanneer de exploitatie van de dienst gebeurt van op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevindt”.

Deze verwijzing naar de exploitatie “van op” de openbare weg of elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats, stemt overigens overeen met de huidige tekst van artikel 25 van het decreet van 20 april 2001 ‘betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg’.

De gemachtigde verduidelijkt bovendien dat het de bedoeling is om als aanknopingspunt voor de vergunningsplicht het vertrekpunt van de dienstverlening te hanteren. Van zodra de dienstverlening op het grondgebied van het Vlaamse Gewest aanvat, is er een Vlaamse vergunning nodig. Als een rit van een exploitant die vergund is in het Waalse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aankomt of doorgang vindt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest is er geen Vlaamse vergunning nodig.

5.3. Om in overeenstemming te zijn met de vermelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en met de bedoeling van de stellers van het voorontwerp, dient bijgevolg in de tekst van artikel 5, § 1 het woord “van” te worden ingevoegd, zodat de tekst ervan luidt:

“Zonder vergunning mag niemand een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer exploiteren van op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevindt”.

6. Artikel 5, § 3, van het voorontwerp bepaalt: “De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder een vergunning die is afgegeven door een ander Gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest”.

Volgens de memorie van toelichting kunnen “enkel houders van diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer met een exploitatiezetel binnen het Vlaamse Gewest (…) hun diensten in het Vlaamse Gewest leveren. In de derde paragraaf wordt evenwel toegevoegd dat de Vlaamse Regering de voorwaarden kan bepalen waaronder een vergunning, afgeleverd door een ander gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest”.

De gemachtigde verschafte over deze bepaling de volgende toelichting:

“Het is een mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om de voorwaarden te bepalen en geen verplichting. De Vlaamse Regering zal aan deze bepaling enkel uitvoering moeten geven als de regelgeving van de andere gewesten niet of moeilijker compatibel is met de nieuwe Vlaamse regeling, onder meer als de diensten die vergund zijn eigenlijk niet meer dezelfde diensten zijn.

In het arrest 41/2010, overweging B 5.3, stelde het Grondwettelijk Hof hierover:

‘…Volgens het beginsel van de wederzijdse erkenning, dat inherent is aan de economische en monetaire unie tussen de deelgebieden van de Staat, wordt een persoon die diensten aanbiedt op het grondgebied van één van die deelgebieden en zich daarbij gedraagt naar de toepasselijke regels, verondersteld die activiteit vrij te kunnen uitoefenen op het grondgebied van elk ander deelgebied van de Staat, tenzij dat deelgebied aantoont dat striktere regels moeten worden opgelegd teneinde een wettig doel te bereiken…’

In geval de Vlaamse regeling betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer omwille van een wettig doel strengere regels bevat dan deze in de andere gewesten, zou het Vlaamse Gewest kunnen weigeren om de vergunning uitgevaardigd in een ander Gewest te erkennen. Het is bijgevolg noodzakelijk om in een rechtsgrond te voorzien zodat de Vlaamse Regering hierover nadere regels zou kunnen bepalen.”

Deze lezing van de gemachtigde, die evenwel geen weerslag vindt noch in de tekst van het voorontwerp noch in de memorie van toelichting, kan wellicht worden beschouwd als in overeenstemming met het beginsel van de wederzijdse erkenning.

De stellers van het voorontwerp gaan evenwel voorbij aan het vereiste van artikel 92bis, § 2, c), BWHI. Het Grondwettelijk Hof verduidelijkte in arrest 129/2015 van 24 september 2015 immers dat het eenzijdig vaststellen van een dergelijke regeling artikel 92bis, § 2, c), BWHI schendt:

“Het stelsel van exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling verzet zich te dezen ertegen dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen. Voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op de taxidiensten, en niet de ritten, die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest is krachtens artikel 92bis, § 2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een samenwerkingsakkoord vereist (zie het arrest nr. 85/2008, B.6.2)”. Voetnoot 4 van het geciteerde advies: GwH 24 september 2015, nr. 129/2015, B.6.

Artikel 5, § 3, van het voorontwerp moet dan ook worden weggelaten.

7. Artikel 13 van het voorontwerp bepaalt dat de machtigingen voor het stationeren van een standplaatstaxi aanleiding kunnen geven tot “een jaarlijkse gemeentebelasting ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van de machtiging”. De gemeente bepaalt het bedrag van de jaarlijkse gemeentebelasting.

In zoverre deze bepaling de gemeentelijke belastingsbevoegdheid bevestigt, is ze overbodig. In zoverre de bepaling een beperking zou inhouden van de gemeentelijke belastingsbevoegdheid, Voetnoot 5 van het geciteerde advies: Hetgeen niet de bedoeling lijkt, aangezien artikel 13 van het voorontwerp geplaatst moet worden tegenover artikel 7 dat uitdrukkelijk in een beperking van de gemeentelijke belastingsbevoegdheid voorziet. moet erop worden gewezen dat overeenkomstig artikel 170, § 4, tweede lid, van de Grondwet de wet ten aanzien van de gemeentelijke belastingen de uitzonderingen bepaalt waarvan de noodzakelijkheid blijkt. Het gaat derhalve om een door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid, zodat de gemeenschappen en de gewesten die aangelegenheid enkel kunnen regelen voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun bevoegdheid en aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 BWHI zou zijn voldaan.

8. Artikel 34, § 4, 2°, in fine, van het voorontwerp legt de eventuele bewaringskosten van het voertuig ten laste van de Staat. Aangezien met “de Staat” klaarblijkelijk de federale overheid wordt bedoeld, behoort deze bepaling niet tot de bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever. De bepaling dient te worden weggelaten."

Antwoord van de Vlaamse Regering op het advies van de Raad van State van 26 oktober 2018:

​​​​​​​Blz. 11 :

“De Raad van State verleende op 26 oktober 2018 haar advies over het voorontwerp van decreet Individueel Bezoldigd Personenvervoer (advies 63.920/1/V).

De Raad van State stelt concreet de volgende aanpassingen voor aan het ontwerp van decreet:

– artikel 5, §1, van het voorontwerp bepaalde dat zonder vergunning niemand een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer mag exploiteren op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevindt.

Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH 8 maart 2012, nr. 40/2012, B.6.2, GwH 27 mei 2008, nr. 85/2008, B.6.2; GwH 8 maart 2012, nr. 40/2012, B.7.2, GwH 24 september 2015, nr. 129/2015, B.8) blijkt dat artikel 92bis, §2, c), BWHI zich ertegen verzet dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt met als specifiek doel of met als specifiek gevolg dat aangelegenheden worden geregeld die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen. In dat verband stelt het Hof bovendien vast dat het hanteren van het criterium van het vertrekpunt van de taxidienst een relevant aanknopingspunt is, dat het mogelijk maakt de gewestelijke regeling binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het gewest te lokaliseren.

Het is de bedoeling om als aanknopingspunt voor de vergunningsplicht het vertrekpunt van de dienstverlening te hanteren. Van zodra de dienstverlening op het grondgebied van het Vlaamse Gewest aanvat, is er een Vlaamse vergunning nodig. Als een rit van een exploitant die vergund is in het Waalse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aankomt of doorgang vindt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest is er geen Vlaamse vergunning nodig.

Om in overeenstemming te zijn met de vermelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en met de bedoeling van de stellers van het voorontwerp van decreet, werd in de tekst van het artikel het woord “van” ingevoegd, zodat de tekst van artikel 6 nu luidt: “Zonder vergunning mag niemand een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer exploiteren van op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Vlaamse Gewest bevindt.”;

– artikel 5, §3, van het voorontwerp bepaalde: “De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder een vergunning die is afgegeven door een ander Gewest, erkend wordt voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest.”. Het Grondwettelijk Hof verduidelijkte in arrest 129/2015 van 24 september 2015 immers dat het eenzijdig vaststellen van een dergelijke regeling artikel 92bis, §2, c), BWHI schendt: “Het stelsel van exclusieve territoriale bevoegdheidsverdeling verzet zich te dezen ertegen dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen. Voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op de taxidiensten, en niet de ritten, die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest is krachtens artikel 92bis, §2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een samenwerkingsakkoord vereist (zie het arrest nr. 85/2008, B.6.2).”.

Het artikel werd als volgt aangepast: “De Vlaamse Regering kan de regels bepalen met betrekking tot de ritten die zich uitstrekken over het grondgebied van het Vlaamse Gewest, uitgevoerd door diensten vergund in een ander Gewest.”. Voor wat betreft de diensten, blijkt uit het advies van de Raad van State dat er immers een samenwerkingsakkoord nodig is;

– artikel 13 van het voorontwerp van decreet bepaalde dat de machtigingen voor het stationeren van een standplaatstaxi aanleiding kunnen geven tot “een jaarlijkse gemeentebelasting ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van de machtiging”. De gemeente bepaalt het bedrag van de jaarlijkse gemeentebelasting. In zoverre deze bepaling de gemeentelijke belastingsbevoegdheid bevestigt, is ze overbodig.

De desbetreffende bepaling werd geschrapt. Er werd hierover wel een vermelding opgenomen in de memorie van toelichting;

– artikel 34, 4, 2°, in fine, van het voorontwerp van decreet legde de eventuele bewaringskosten van het voertuig ten laste van de Staat. Aangezien met “de Staat” klaarblijkelijk de federale overheid wordt bedoeld, behoort deze bepaling niet tot de bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever.

De bepaling werd weggelaten;

– artikel 32, §3, tweede lid, van het voorontwerp van decreet bepaalde dat in geval van een inbreuk, beslag kan worden gelegd op het voertuig waarmee de inbreuk is gepleegd, op kosten en op risico van de eigenaar. Uit het advies van de Raad van State blijkt echter dat er op basis van de bestaande regeling in het Wetboek van Strafvordering voldoende instrumenten aanwezig zijn om beslag te kunnen leggen op de voertuigen. Deze bepalingen zijn conform artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen ook van toepassing op bij decreet vastgestelde misdrijven.

Artikel 32, §3, tweede lid, werd uit het voorontwerp van decreet geschrapt, samen met artikel 35 dat hiermee gelinkt is. Er werd hierover wel een vermelding opgenomen in de memorie van toelichting;

– artikel 36, lid 4, van de AVG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthoudende autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, te raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwerking.

Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit werd aangevraagd op 29 oktober 2018;

– overeenkomstig artikel 5, §2, van het voorontwerp van decreet werd een vergunning voor een dienst van individueel bezoldigd personenvervoer afgegeven door de gemeente waar de kandidaat-vergunninghouder zijn exploitatiezetel heeft en is deze geldig voor het hele gewest. In dit verband wijst de Raad van State op het arrest C-338/09 van 22 december 2010 van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld: “Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde, welke regeling inzake de verlening van een vergunning voor de exploitatie van een stadsbuslijndienst die vaste haltes volgens een dienstregeling regelmatig aandoet, oplegt dat de marktdeelnemers die de aanvraag doen een zetel of een andere vestiging op het grondgebied van deze lidstaat hebben alvorens hun een exploitatievergunning voor deze lijn wordt verleend. Artikel 49 VWEU daarentegen moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die een dergelijke vestiging oplegt, indien is bepaald dat die vestiging moet bestaan nadat deze vergunning is verleend en vooraleer de aanvrager met de exploitatie van deze lijn aanvangt.”.

Het artikel – thans artikel 6 – wordt als volgt geherformuleerd: “De vergunning wordt afgegeven door de gemeente waar de kandidaat-vergunninghouder zijn exploitatiezetel heeft of zijn exploitatiezetel zal vestigen na verlening van de vergunning en ten laatste op het ogenblik dat de vergunninghouder begint met de exploitatie van de vergunde dienst.”;

– in de memorie van toelichting bij artikel 6 van het voorontwerp van decreet wordt gezegd dat wanneer een kandidaat-vergunninghouder over meerdere exploitatiezetels in het Vlaamse Gewest beschikt, de gemeente waar de kandidaat-vergunninghouder de eerste keer een vergunningsaanvraag indient, de bevoegde gemeente wordt. Het verdient aanbeveling deze regel uitdrukkelijk in de tekst van het ontwerp van decreet op te nemen.

De bepaling werd opgenomen in de tekst van het ontwerp van decreet en niet langer alleen in de memorie van toelichting;

– artikel 7, §2, tweede zin, van het voorontwerp van decreet voorzag in het differentiëren van het basisbedrag van de retributie. De gemachtigde verduidelijkte dat het de bedoeling is dat ook de mogelijkheid van differentiatie voorzien in artikel 7, §2, tweede zin, van het voorontwerp van decreet wordt bepaald door de Vlaamse Regering. Het verdient volgens de Raad van State aanbeveling dit uitdrukkelijk in de tekst van het ontworpen decreet te vermelden. Indien het de bedoeling van de stellers is dat de gemeenten geen retributiereglement meer moeten uitvaardigen – zoals de memorie van toelichting vooropstelt – dan moeten in het ontwerp van decreet ook onder meer de innings- en bezwaarprocedure worden geregeld.

Deze opmerkingen werden verwerkt in de tekst van het ontwerp van decreet (thans artikel 8), waarbij de innings- en bezwaarprocedure kan worden vastgelegd door de Vlaamse Regering;

– teneinde in overeenstemming te zijn met de bedoeling van de steller van het voorontwerp van decreet dient te worden gepreciseerd dat de delegatie aan de Vlaamse Regering in artikel 10, tweede lid, van het voorontwerp van decreet betrekking heeft op het indienen “en het behandelen” van het beroep. Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 20, tweede lid, van het voorontwerp van decreet.

Deze toevoegingen werden opgenomen in de tekst van het ontwerp van decreet, alsook in de memorie van toelichting;

– in de tekst van artikel 16 kan het best worden gepreciseerd dat deze bepaling betrekking heeft op het “bestuurlijk” beroep.

De verduidelijking werd toegevoegd;

– artikel 18, §2, van het voorontwerp van decreet machtigt de Vlaamse Regering om de voorwaarden te bepalen waarbinnen de bestuurderspas kan worden afgegeven. De gemachtigde verduidelijkte dat de basisvereisten voor de bestuurderspas de zedelijkheid en beroepsbekwaamheid zijn, zoals opgenomen in artikel 21, §2, 2°, van het voorontwerp van decreet. Het verdient aanbeveling deze voorwaarden minstens in de memorie van toelichting te vermelden.

Artikel 18, §2, werd aangepast, in die zin dat werd verduidelijkt dat in dit artikel een rechtsbasis wordt voorzien voor de procedure en niet zozeer voor de voorwaarden voor het afgeven van de bestuurderspas. Immers, deze zitten vervat in artikel 21, §2, 2°, van het ontwerp van decreet. In de memorie van toelichting werd bij artikel 19 evenwel verduidelijkt dat de gemeente de inhoud van de aanvraag toetst aan de door de Vlaamse Regering vooropgestelde minimumcriteria inzake zedelijkheid en bekwaamheid. Bestuurders die voldoen aan de vooropgestelde randvoorwaarden krijgen een bestuurderspas toegekend;

– artikel 28, §2, derde lid, van het voorontwerp van decreet bepaalde dat het klachtenorgaan, in voorkomend geval, een klacht doorverwijst naar de politie.

De gemachtigde bevestigt dat de woorden “in voorkomend geval” niet tot doel hebben om af te wijken van de ambtelijke aangifteplicht (op grond van artikel 29 Wetboek van Strafvordering). In dit verband moet er tevens op gewezen worden dat artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de verplichting oplegt om bericht te geven aan de procureur des Konings, en niet aan de politie. Het voorontwerp van decreet moet in die zin worden aangepast.

‘In voorkomend geval’ dient inderdaad te worden begrepen als ‘wanneer verplicht’ wanneer de feiten zoals vermeld in de desbetreffende klacht hierop wijzen. Er wordt in het artikel een verwijzing toegevoegd naar artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. In plaats van de politie, wordt de procureur des Konings aangeduid als ontvanger van het bericht;

 – artikel 32, §§1 en 2, van het voorontwerp van decreet stellen het plegen van inbreuken op de bepalingen van het ontworpen decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan, strafbaar. In dit verband herinnert de Raad van State aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over de toelaatbaarheid, in het licht van het legaliteitsbeginsel in strafzaken (artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet), van de strafbaarstelling bij wet of decreet van bepalingen die in een uitvoeringsbesluit zijn opgenomen. In die rechtspraak oordeelde het Hof dat het legaliteitsbeginsel in strafzaken niet zo ver gaat dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen; wanneer de wetgever de niet naleving van een bepaling van een uitvoeringsbesluit strafbaar stelt, vereist het legaliteitsbeginsel in strafzaken dat de machtiging aan de uitvoerende macht voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgelegd. In het licht hiervan moet het voorontwerp van decreet op een aantal punten worden verduidelijkt.

Om tegemoet te komen aan de bemerking van de Raad van State, werd vooreerst de definitie van OV-taxi in artikel 2, 5°, 4), van het voorontwerp van decreet verduidelijkt. Er werd meer bepaald toegevoegd dat het voertuig ter beschikking gesteld wordt van het publiek via de Mobiliteitscentrale in het kader van collectief aangeboden openbaar personenvervoer waarbij wordt ingespeeld op specifieke individuele mobiliteitsvragen van personen. Het betreft dan het vervoer op maat waarvan sprake in het voorontwerp van het decreet betreffende basisbereikbaarheid.

Daarnaast werd verduidelijkt dat de machtiging aan de Vlaamse Regering in artikel 7, §1, tweede lid, van het voorontwerp van decreet geen betrekking mag hebben op de inhoudelijke voorwaarden voor het afleveren van de vergunning. Artikel 7, §1, tweede lid, heeft eerder de bedoeling een rechtsgrond te creëren voor een regeling voor de praktische aflevering van de vergunningen, waaronder bijvoorbeeld de wijze van aanvraag (bijvoorbeeld model aanvraagformulier) en de termijnen en niet zozeer de vergunningsvoorwaarden waarvan de essentiële elementen van de regeling wel degelijk vervat zitten in het ontwerp van decreet (artikelen 21 tot en met 26). Daarom werd de term ‘voorwaarden’ vervangen door ‘procedure’. Dezelfde verduidelijking werd mutatis mutandis aangebracht in artikel 7, §3, tweede lid, en artikel 18, §2, van het ontwerp van decreet.

De redenen van schorsing en intrekking van de vergunning (artikel 10 van het voorontwerp van decreet) worden nu expliciet in het ontwerp van decreet bepaald, zijnde het niet naleven van de exploitatievoorwaarden zoals bepaald in artikel 21, §2. Ook bij de bestuurderspas (artikel 19, tweede lid) worden de redenen opgenomen.

Aangezien een delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de Mobiliteitscentrale niet toelaatbaar is – en het trouwens geenszins de bedoeling is om dergelijke bevoegdheid toe te kennen in artikel 25 – wordt in de memorie van toelichting verduidelijkt dat het louter de modaliteiten betreft die de Mobiliteitscentrale kan toepassen, in functie van de concrete noden in de vervoerregioraad.

Tot slot wordt in artikel 43 van het ontwerp van decreet de datum bepaald waarop het decreet ten laatste in werking treedt;

– met de woorden “met behoud van de schadevergoeding” in artikel 32, §2, van het voorontwerp van decreet wordt wellicht hetzelfde bedoeld als met de woorden “onverminderd de schadevergoeding” in de huidige tekst van artikel 63, §2, van het decreet van 20 april 2001. Het is evenwel niet duidelijk wat deze woorden toevoegen aan de juridische betekenis van artikel 32, §2, van het voorontwerp van decreet, aangezien dit artikel de bestraffing regelt, en geen regeling van eventuele schadevergoedingen beoogt.

De bedoelde woorden werden geschrapt;

– op grond van artikel 11, eerste lid, BWHI is het gehele boek I van het Strafwetboek van toepassing op de strafbaarstelling en de straffen die door de gemeenschappen en de gewesten bij decreet worden bepaald, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85.

Aangezien artikel 32, §3, eerste lid, van het voorontwerp van decreet een loutere herhaling vormt van artikel 11, BWHI werd dit – op advies van de Raad van State – uit de tekst van het ontwerp van decreet geschrapt;

– artikel 33, §4, van het voorontwerp van decreet bepaalde dat de daartoe bevoegde personen kunnen beslissen om de verplichtingen en rechten, vermeld in de artikelen 12 tot en met 22 van de AGV, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek, wanneer de toepassing van deze artikelen nadelig is of kan zijn voor het onderzoek. De mogelijkheid om de verplichtingen en rechten vermeld in de artikelen 12 tot en met 22 van de AVG niet toe te passen, moet evenwel worden beperkt tot de gevallen waarin dat noodzakelijk is voor het goede verloop van het onderzoek. Op zijn minst moet de tekst van artikel 33, §4, van het voorontwerp van decreet in overeenstemming worden gebracht met de bewoordingen zoals die reeds in verscheidene Vlaamse decreten voorkomen.

De bepaling werd in die zin geherformuleerd, namelijk dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de AGV, niet worden toegepast.”

Lees meer

Relevante regelgeving

Zie ook