Wetshistoriek

§ 6 ingevoegd bij het bijzonder decreet van het Waals Parlement van 9 december 2010 (BS 22 december 2010 (tweede editie)).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Grondwettelijk Hof 28 juni 2012, nr. 81/2012 

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

B.3.1. In elk van de samengevoegde zaken is het eerste middel afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten en meer bepaald van de artikelen 39, 118, § 2, en 119 van de Grondwet en de artikelen 24 en 24bis, §§ 2ter en 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De verzoekende partij in de zaak nr. 5160, in het eerste onderdeel van het eerste middel, en de verzoekende partijen in de zaak nr. 5161, in het eerste middel, voeren aan dat de Waalse decreetgever niet bevoegd was om het bestreden bijzondere decreet aan te nemen, aangezien dat laatste in werkelijkheid geen onverenigbaarheid voor de leden van het Waals Parlement invoert, maar veeleer de samenstelling van dat Parlement regelt. Hoewel de Waalse decreetgever, handelend krachtens artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de bevoegdheid heeft om onverenigbaarheden in te voeren naast die welke bij artikel 119 van de Grondwet en bij de artikelen 23 en 24bis van dezelfde bijzondere wet zijn vastgesteld, zou hij daarentegen niet bevoegd zijn om de samenstelling van het Parlement te regelen.

B.3.2. In het advies dat zij heeft gewezen over het voorontwerp van decreet dat tot het bestreden bijzondere decreet [Bijzonder decreet van het Waals Parlement van 9 december 2010 tot beperking van de cumulatie van mandaten in hoofde van de volksvertegenwoordigers van het Waalse Parlement] heeft geleid, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in dat verband opgemerkt :

« Het ontworpen decreet strekt niet ertoe het aantal parlementsleden te wijzigen, noch een norm van onverenigbaarheid vast te stellen. Immers, een onverenigbaarheid tussen twee of meerdere ambten veronderstelt dat die niet gelijktijdig kunnen worden uitgeoefend. Echter, indien het voorontwerp van decreet wordt aangenomen, zouden sommige Waalse parlementsleden dat ambt verder kunnen cumuleren met het ambt van lid van een gemeentecollege. Beide ambten zouden dus niet onverenigbaar zijn. Het voorontwerp strekt in werkelijkheid ertoe een regel vast te stellen inzake een evenwichtige samenstelling, in het Parlement, tussen de leden die een ambt binnen een gemeentecollege uitoefenen en diegenen die geen dergelijk ambt uitoefenen. Een dergelijke norm kan niet worden beschouwd als een norm die een bijkomende onverenigbaarheid invoert, zoals bepaald in artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet, maar wel als een regel inzake de samenstelling van het Parlement, die volkomen losstaat van die welke de wetgever, door middel van een bijzonder decreet, kan vaststellen krachtens de constitutieve autonomie die de bijzondere wet hem toekent.

De Waalse wetgever is dus niet bevoegd om het voorontwerp van decreet aan te nemen » (Parl. St., Waals Parlement, 2010-2011, nr. 247/1, p. 8).

B.3.3. De decreetgever heeft het decreet niettemin aangenomen, stellende dat « de afdeling wetgeving van de Raad van State het door de wetgever nagestreefde doel [verwarde met] het daartoe aangewende instrument » :

« Het doel bestaat erin een evenwichtige samenstelling van het Parlement tot stand te brengen en het daartoe aangewende instrument is een onverenigbaarheid die weliswaar niet absoluut is, maar op onbetwistbare wijze verkozenen treft die worden geïdentificeerd na de kennisname van de resultaten van de verkiezing » (ibid., p. 2).

B.4.1. Artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :

« Het Vlaams Parlement en het Waals Parlement kunnen, ieder voor zich, bij decreet bijkomende onverenigbaarheden instellen ».

Met toepassing van artikel 35, § 3, van dezelfde bijzondere wet dienen de in artikel 24bis, § 3, beoogde decreten te worden aangenomen met tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen.

B.4.2. Met toepassing van die bepaling kunnen de decreetgevers, met een bijzondere meerderheid, onverenigbaarheden invoeren die respectievelijk van toepassing zijn op het Waals Parlement en het Vlaams Parlement.

B.5. De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, die artikel 24bis in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft ingevoegd, preciseert niet wat, in de zin van die bepaling, onder de term « onverenigbaarheid » moet worden begrepen. Meer bepaald maakt niets het mogelijk aan te nemen dat de bijzondere wetgever, wanneer hij aan het Waals Parlement en aan het Vlaams Parlement een constitutieve autonomie heeft toegekend waardoor zij met name onverenigbaarheden kunnen toevoegen aan die welke reeds bestonden, die mogelijkheid heeft willen beperken tot het invoeren van onverenigbaarheden die op dezelfde wijze alle leden van de betrokken vergadering beogen.

B.6. Hoewel het juist is dat, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State opmerkt, de meeste van de bestaande onverenigbaarheden alle betrokken mandaathouders beogen, kan hieruit niet worden afgeleid dat de Waalse decreetgever, handelend in het kader van de constitutieve autonomie die artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 hem heeft toegekend, geen onverenigbaarheid mag invoeren die enkel een deel van de leden van het Waals Parlement beoogt.

De omstandigheid dat die onverenigbaarheid de algemene samenstelling van het Waals Parlement beïnvloedt, ontneemt haar niet de kwalificatie van onverenigbaarheid in de zin van artikel 24bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Hieruit vloeit voort dat, krachtens die bepaling, de Waalse decreetgever, handelend met een bijzondere meerderheid, bevoegd was om het bestreden bijzondere decreet aan te nemen.

B.7.1. In het tweede onderdeel van haar eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 5160 aan dat het bijzondere decreet van 9 december 2010 artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt.

B.7.2. Het voormelde artikel 24bis, § 2ter, bepaalt :

« Het mandaat van lid van het Vlaams Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Waals Parlement kan worden gecumuleerd met ten hoogste één bezoldigd uitvoerend mandaat.

Als bezoldigde uitvoerende mandaten in de zin van het vorige lid worden beschouwd :

1° het ambt van burgemeester, van schepen en van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn ongeacht het daaraan verbonden inkomen;

[…] ».

B.8.1. Die bepaling, ingevoegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bij de bijzondere wet van 4 mei 1999 « tot beperking van de cumulatie van het mandaat van lid van de Vlaamse Raad, van de Franse Gemeenschapsraad, van de Waalse Gewestraad en van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad met andere ambten », maakt deel uit van een reeks van wetten die de federale wetgever heeft aangenomen teneinde concreet gestalte te geven aan de « algemene filosofie » van een project dat voortvloeit uit het algemene denkwerk dat is gevoerd binnen de « Staten-generaal van de Democratie », algemene filosofie die als volgt is verwoord : « men [kan] slechts twee mandaten uitoefenen » (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-984/4, pp. 5-6).

Zij strekt dus in wezen ertoe het aantal mandaten te beperken die tegelijkertijd kunnen worden uitgeoefend. De draagwijdte ervan waarborgt de parlementsleden van de gewesten en de gemeenschappen evenwel niet dat zij hun mandaat altijd zullen kunnen cumuleren met een ambt van burgemeester, schepen of voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn.

B.8.2. Bovendien kan artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het de draagwijdte beperkt van artikel 24bis, § 3, van dezelfde bijzondere wet, dat geen enkele beperking inhoudt ten aanzien van de bevoegdheid die het aan de decreetgevers toekent om nieuwe onverenigbaarheden in te voeren.

B.9. Hieruit vloeit voort dat de Waalse decreetgever, met het aannemen van het bestreden bijzondere decreet, artikel 24bis, § 2ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet heeft geschonden.”

Lees meer

Relevante regelgeving