Trefwoorden:aardgas, administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, gouverneur, adviesprocedure, afvalstoffen, afvalwater, ... (toon meer)
Art. 6.
§ 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn :
I. Wat de ruimtelijke ordening betreft :
Annot. Art. 6, § 1, I, 1°
1° De stedebouw en de ruimtelijke ordening;
Annot. Art. 6, § 1, I, 2°
2° De rooiplannen van de gemeentewegen;
Annot. Art. 6, § 1, I, 3°
3° De verkrijging, aanleg en uitrusting van gronden voor industrie, ambachtswezen en diensten of van andere onthaalinfrastructuren voor investeerders, met inbegrip van de investeringen voor de uitrusting van industriezones bij de havens en de beschikbaarstelling daarvan voor de gebruikers;
Annot. Art. 6, § 1, I, 4°
4° De stadsvernieuwing;
Annot. Art. 6, § 1, I, 5°
5° De vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;
Annot. Art. 6, § 1, I, 6°
6° Het grondbeleid;
Annot. Art. 6, § 1, I, 7°
7° De monumenten en de landschappen.
II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft :
Annot. Art. 6, § 1, II, eerste lid, 1°
1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder;
Annot. Art. 6, § 1, II, eerste lid, 2°
2° Het afvalstoffenbeleid;
Annot. Art. 6, § 1, II, eerste lid, 3°
3° De politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming;
Annot. Art. 6, § 1, II, eerste lid, 4°
4° De waterproduktie en watervoorziening, met inbegrip van de technische reglementering inzake de kwaliteit van het drinkwater, de zuivering van het afvalwater en de riolering.
Annot. Art. 6, § 1, II, eerste lid, 5°
5° De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen.
De federale overheid is echter bevoegd voor :
Annot. Art. 6, § 1, II, tweede lid, 1°
1° Het vaststellen van de produktnormen;
Annot. Art. 6, § 1, II, tweede lid, 2°
2° De bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval;
Annot. Art. 6, § 1, II, tweede lid, 3°
3° (opgeheven)
III. Wat de landinrichting en het natuurbehoud betreft :
Annot. Art. 6, § 1, III, 1°
1° De ruilverkaveling van landeigendommen en de landinrichting;
Annot. Art. 6, § 1, III, 2°
2° De natuurbescherming en het natuurbehoud, met uitzondering van de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen;
Annot. Art. 6, § 1, III, 3°
3° De groengebieden, parkgebieden en groene ruimten;
Annot. Art. 6, § 1, III, 4°
4° De bossen;
Annot. Art. 6, § 1, III, 5°
5° De jacht, met uitzondering van de vervaardiging van, de handel in en het bezit van jachtwapens, en de vogelvangst;
Annot. Art. 6, § 1, III, 6°
6° De visvangst;
Annot. Art. 6, § 1, III, 7°
7° De visteelt;
Annot. Art. 6, § 1, III, 8°
8° De landbouwhydraulica en de onbevaarbare waterlopen met inbegrip van hun bermen;
Annot. Art. 6, § 1, III, 9°
9° De ontwatering;
Annot. Art. 6, § 1, III, 10°
10° De polders en wateringen.
Annot. Art. 6, § 1, IV
IV. Wat de huisvesting betreft :
Annot. Art. 6, § 1, IV, 1°
1° de huisvesting en de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en de gezondheid;
Annot. Art. 6, § 1, IV, 2°
2° de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan.
Annot. Art. 6, § 1, V
V. Wat de landbouw betreft :
Annot. Art. 6, § 1, V, eerste lid, 1°
1° het landbouwbeleid en de zeevisserij;
Annot. Art. 6, § 1, V, eerste lid, 2°
2° de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen;
Annot. Art. 6, § 1, V, eerste lid, 3°
3° de specifieke regels betreffende de pacht en de veepacht.
Annot. Art. 6, § 1, V, tweede lid
De federale overheid is echter bevoegd voor :
Annot. Art. 6, § 1, V, tweede lid, 1°
1° de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen;
Annot. Art. 6, § 1, V, tweede lid, 2°
2° de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen;
Annot. Art. 6, § 1, V, tweede lid, 3°
3° de inkomensvervangende maatregelen bij vervroegde uittreding van oudere landbouwers.
VI. Wat de economie betreft :
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 1°
1° Het economisch beleid;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 2°
2° De gewestelijke aspecten van het kredietbeleid met inbegrip van de oprichting en het beheer van de openbare kredietinstellingen;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 3°
3° Het afzet- en uitvoerbeleid, onverminderd de federale bevoegdheid :
a) om waarborgen te verstrekken tegen uitvoer-, invoer- en investeringsrisico's; de vertegenwoordiging van de gewesten in de federale instellingen en organen die deze waarborgen verstrekken, wordt verzekerd;
b) inzake het multilaterale handelsbeleid, onverminderd de toepassing van artikel 92bis, § 4bis.
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 4°
4° De in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid inzake de in- en uitvoer met betrekking tot het leger en de politie en met naleving van de criteria vastgesteld in de Gedragscode van de Europese Unie op het stuk van de uitvoer van wapens;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 5°
5° De natuurlijke rijkdommen.
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 6°
6° De vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden voor toegang tot gezondheidszorgberoepen en tot dienstverlenende intellectuele beroepen;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 7°
7° De specifieke regels betreffende de handelshuur;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 8°
8° De activiteiten van het Participatiefonds, met inbegrip van de inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein;
Annot. Art. 6, § 1, VI, eerste lid, 9°
9° Het toerisme.
Annot. Art. 6, § 1, VI, tweede lid
Evenwel,
1° wordt iedere door het Gewest uitgevaardigde reglementering met betrekking tot fiscale voordelen die in het kader van de nationale fiscaliteit en met toepassing van de wetten op de economische expansie worden verleend, voor akkoord voorgelegd aan de bevoegde nationale overheid;
2° kan de Ministerraad op het gebied van de economische expansie, op voorstel van de betrokken Gewestregering, de Staatswaarborg verlenen bedoeld in de artikelen 19 tot 21 en 22, derde lid, e, van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie.
Annot. Art. 6, § 1, VI, derde lid
In economische aangelegenheden oefenen de Gewesten hun bevoegdheden uit met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen.
De nationale overheid is met dit doel bevoegd om algemene regels vast te stellen inzake :
Annot. Art. 6, § 1, VI, vierde lid, 1°
1° de overheidsopdrachten;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vierde lid, 2°
2° de bescherming van de verbruiker;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vierde lid, 3°
3° de organisatie van het bedrijfsleven;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vierde lid, 4°
4° de maxima voor hulp aan ondernemingen op het gebied van de economische expansie, die slechts gewijzigd kunnen worden met het akkoord van de Gewesten.
Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor :
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 1°
1° het muntbeleid, zowel intern als extern;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 2°
2° het financieel beleid en de bescherming van het spaarwezen, met inbegrip van de reglementering en de controle op de kredietinstellingen en andere financiële instellingen en op de verzekeringsmaatschappijen en daarmee gelijkgestelde ondernemingen, de holdings en de gemeenschappelijke beleggingsfondsen, het hypothecair krediet, het consumptiekrediet, het bank- en verzekeringsrecht, alsmede de oprichting en het beheer van haar openbare kredietinstellingen;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°
3° het prijs- en inkomensbeleid, met uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d);
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°
4° het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken, met uitzondering van de toekenning van kwaliteitslabels en oorsprongbenamingen van regionale of lokale aard;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 5°
5° het handelsrecht en het vennootschapsrecht;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 6°
6° (opgeheven)
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 7°
7° de industriële en intellectuele eigendom;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 8°
8° de contingenten en vergunningen met uitzondering van de vergunningen voor de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid voor deze met betrekking tot het leger en de politie;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 9°
9° de metrologie en de normalisatie , met uitzondering van de homologatie bedoeld in artikel 6, § 1, XII, 5 ;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 10°
10° het statistisch geheim;
Annot. Art. 6, § 1, VI, vijfde lid, 11°
11° de Nationale Investeringsmaatschappij;
12° het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.
VII. Wat het energiebeleid betreft :
De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval :
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, a)
a) De distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt , met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, b)
b) De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet ;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, c)
c) De aanwending van mijngas en van gas afkomstig van hoogovens;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, d)
d) De netten voor warmtevoorziening op afstand;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, e)
e) De valorisatie van steenbergen;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, f)
f) De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, g)
g) De terugwinning van energie door de nijverheid en andere gebruikers;
Annot. Art. 6, § 1, VII, eerste lid, h)
h) Het rationeel energieverbruik.
De federale overheid is echter bevoegd voor de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten :
Annot. Art. 6, § 1, VII, tweede lid, a)
a) De studies over de perspectieven van energiebevoorrading;
Annot. Art. 6, § 1, VII, tweede lid, b)
b) De kernbrandstofcyclus;
Annot. Art. 6, § 1, VII, tweede lid, c)
c) De grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie;
Annot. Art. 6, § 1, VII, tweede lid, d)
d) de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a) en b).
VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft :
1° de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen en van de bovengemeentelijke besturen , met uitzondering van :
- de regeling die krachtens de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 19 juli 2012 en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen opgenomen zijn in de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen;
- de regelingen die opgenomen zijn in de artikelen 5, 5bis, 70, 3° en 8°, 126, tweede en derde lid, en titel XI van de provinciewet;
- de regelingen die opgenomen zijn in de artikelen 125, 126, 127 en 132 van de nieuwe gemeentewet, voor zover zij de registers van de burgerlijke stand betreffen;
- de organisatie van en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, en de brandweer;
- de pensioenstelsels van het personeel en de mandatarissen.
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, lid 2
De gewesten oefenen deze bevoegdheid uit, onverminderd de artikelen 279 en 280 van de nieuwe gemeentewet.
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, lid 3
De gemeenteraden en, in de mate dat deze bestaan, de provincieraden of de raden van bovengemeentelijke besturen, regelen respectievelijk alles wat van gemeentelijk, provinciaal of bovengemeentelijk belang is; zij beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd.
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, lid 4
De provinciegouverneurs, de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen worden benoemd en afgezet door de betrokken gewestregering, op eensluidend advies van de Ministerraad. Wanneer de provinciale instellingen worden afgeschaft, gebeurt dit zonder afbreuk te doen aan de functie van de provinciegouverneurs. Als een gewest de provinciale instellingen afschaft, heeft de gouverneur, binnen zijn ambtsgebied, de hoedanigheid van commissaris van de regering van de Staat, de gemeenschap of het gewest.
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, lid 5
Wanneer een gemeenschaps- of gewestregering informatie opvraagt uit de registers van de burgerlijke stand, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand onmiddellijk gevolg aan dat verzoek;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 2°
2° het wijzigen of corrigeren van de grenzen van de provincies, van de bovengemeentelijke besturen en van de gemeenten, met uitzondering van de grenzen van de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 3°
3° de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de instellingen van de agglomeraties en federaties van gemeenten, behalve voor de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren;
4° de verkiezing van de provinciale, bovengemeentelijke, gemeentelijke en binnengemeentelijke organen, alsook van de organen van de agglomeraties en federaties van gemeenten, met inbegrip van de regeling van en de controle op de hierop betrekking hebbende verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed :
a) met uitzondering van de regelingen die krachtens de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 19 juli 2012 en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen opgenomen zijn in de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen, en
b) met uitzondering van de exclusieve bevoegdheid van de Raad van State om bij wijze van arresten op de beroepen in hoogste aanleg uitspraak te doen in kiesrechtzaken;
c) met dien verstande dat decreten en ordonnanties die als gevolg hebben dat de evenredigheid van de zetelverdeling in verhouding tot de verdeling der stemmen vermindert, moeten worden aangenomen met de in artikel 35, § 3, bedoelde meerderheid.
De gewesten oefenen deze bevoegdheid uit, onverminderd de artikelen 5, tweede en derde lid, 23bis en 30bis van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, en de artikelen 2, § 2, vierde lid, 3bis, tweede lid, 3novies, tweede lid, en 5, derde lid, van de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 5°
5° het tuchtstelsel voor de burgemeesters, met dien verstande dat de burgemeester, die bij de Raad van State een beroep in hoogste aanleg instelt tegen een tegen hem uitgesproken tuchtsanctie die niet gebaseerd is op zijn kennelijk wangedrag, maar op de niet-naleving van een wet, een decreet, een ordonnantie, een reglement of een administratieve handeling, de kamer kan verzoeken, al naar het geval, een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof of de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling administratie, die nagaat of het reglement of de administratieve handeling geen inbreuk uitmaakt op artikel 16bis van deze bijzondere wet of artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen; de kamer moet op dit verzoek ingaan; het Grondwettelijk Hof of de algemene vergadering van de afdeling administratie doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen; de kamer moet zich voor de oplossing van het geschil voegen, al naar het geval, naar het arrest van het Grondwettelijk Hof of de uitspraak van de algemene vergadering; het beroep van de burgemeester bij de Raad van State is opschortend; de Raad van State doet uitspraak over het beroep binnen een termijn van zestig dagen; indien de verwijzing naar het Grondwettelijk Hof of de algemene vergadering wordt gevraagd, doet de Raad uitspraak binnen zestig dagen na hun uitspraak;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°
6° de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 7°
7° de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°
8° de verenigingen van provincies, bovengemeentelijke besturen en gemeenten tot nut van het algemeen, met uitzondering van het door de wet georganiseerde specifiek toezicht inzake brandbestrijding;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 9°
9° de algemene financiering van de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de bovengemeentelijke besturen en de provincies;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 9°bis
9°bis (opgeheven)
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 10°
10° de financiering van de opdrachten uit te voeren door de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de bovengemeentelijke besturen, de provincies en door andere publiekrechtelijke rechtspersonen in de tot de bevoegdheid van de gewesten behorende aangelegenheden, behalve wanneer die opdrachten betrekking hebben op een aangelegenheid waarvoor de federale overheid of de gemeenschappen bevoegd zijn;
Annot. Art. 6, § 1, VIII, eerste lid, 11°
11° de voorwaarden waaronder en de wijze waarop binnengemeentelijke territoriale organen, bedoeld in artikel 41 van de Grondwet, kunnen worden opgericht.
Annot. Art. 6, § 1, VIII, tweede lid
De handelingen, reglementen en verordeningen van de overheden van de provincies, de bovengemeentelijke besturen, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten en andere bestuursoverheden mogen niet in strijd zijn met de wetten en de besluiten van de federale overheid of de decreten en besluiten van de gemeenschappen, welke in elk geval die overheden met de uitvoering daarvan en met andere opdrachten, met inbegrip van het geven van advies, kunnen belasten, alsook met het op de begroting brengen van alle uitgaven die zij aan deze overheden opleggen.
IX. Wat het tewerkstellingsbeleid betreft :
Annot. Art. 6, § 1, IX, 1°
1° De arbeidsbemiddeling;
Annot. Art. 6, § 1, IX, 2°
2° de programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden, daarin begrepen inzake de sociale economie, met uitsluiting van de programma's voor wedertewerkstelling in de besturen en de diensten van de federale overheid of die onder het toezicht van deze overheid ressorteren en met uitsluiting van de overeenkomsten bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector.
Annot. Art. 6, § 1, IX, 2°/1
2° /1 de tewerkstelling van personen die het recht op maatschappelijke integratie of het recht op financiële maatschappelijke hulp genieten;
Annot. Art. 6, § 1, IX, 3°
3° de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten, met uitzondering van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen en de vrijstellingen van beroepskaarten verbonden aan de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen.
De vaststelling van de inbreuken kan eveneens worden verricht door de daartoe door de federale overheid gemachtigde ambtenaren.
Annot. Art. 6, § 1, IX, 4°
4° de toepassing van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen. Het toezicht op de naleving van deze normen behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. De vaststelling van de inbreuken kan eveneens worden verricht door de daartoe door de gewesten gemachtigde ambtenaren;
Annot. Art. 6, § 1, IX, 5°
5° de beslissings- en uitvoeringsbevoegdheid om de actieve en passieve beschikbaarheid van de werklozen te controleren en het opleggen van sancties dienaangaande.
De federale overheid blijft bevoegd voor het normatief kader voor de regelgeving inzake passende betrekking, actief zoekgedrag, administratieve controle en sancties, en voor de materiële uitvoering van de sancties, en dit zonder afbreuk te doen aan de gewestelijke bevoegdheid bedoeld in 6°.
Het gewest kan de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de controle op de actieve beschikbaarheid delegeren aan de federale overheid tegen betaling. In dat geval sluiten de gewestregering en de federale overheid voorafgaandelijk een overeenkomst om de kost van deze dienst te bepalen;
Annot. Art. 6, § 1, IX, 6°
6° het bepalen van de voorwaarden waaronder vrijstellingen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor uitkeringsgerechtigde werklozen met behoud van de uitkeringen in geval van studiehervatting, het volgen van een beroepsopleiding of een stage kunnen worden toegekend en de beslissing om deze vrijstelling al dan niet toe te kennen.
Voor het bepalen van de soort rechthebbende werkzoekende die voor de in eerste lid bedoelde vrijstelling in aanmerking komt, is het eensluidend advies van de Ministerraad vereist.
De gewesten kennen een financiële tegemoetkoming toe aan de federale overheid voor de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen wanneer het percentage van vrijgestelde dagen in de loop van één jaar omwille van beroepsopleiding, studiehervatting of stage in verhouding tot het totaal aantal vergoede dagen werkloosheid van hetzelfde jaar, 12 % overschrijdt in dit gewest. De vrijstellingen voor beroepsopleidingen die voorbereiden op een knelpuntberoep en de vrijstellingen toegekend in het kader van een activiteitencoöperatie worden niet in aanmerking genomen in dit mechanisme;