Art. 95.
Ingeval een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd, door het Hof verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar voornemen ervan gebruik te maken.
Indien de partij op dit verzoek niet ingaat of verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
Indien zij verklaart dat zij er gebruik van wil maken en zo het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, schorst het Hof het geding tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan; dat college doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Indien het geschil bij geen enkel rechtscollege aanhangig is gemaakt, oordeelt het Hof over de bewijskracht van het stuk.
Indien uitspraak kan worden gedaan zonder dat met het van valsheid betichte stuk rekening wordt gehouden, wordt de rechtspleging voortgezet.