Art. 90.
Na het verstrijken van de termijnen bepaald in artikel 89, beslist het Hof, nadat de verslaggevers zijn gehoord, of de zaak al dan niet in staat van wijzen is en of er een terechtzitting wordt gehouden.
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt in voorkomend geval de dag van de terechtzitting en vermeldt de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, hetzij met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend, hetzij mondeling op de terechtzitting.
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak niet in staat van wijzen is, vermeldt de verrichtingen die door de verslaggevers of door de griffiers moeten worden gedaan en vermeldt in voorkomend geval de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend. Als die verrichtingen eenmaal zijn gedaan, handelt het Hof overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
Van de beschikkingen wordt aan de partijen kennis gegeven. Indien geen terechtzitting is bepaald, kan elke partij een verzoek indienen om te worden gehoord. Dit verzoek wordt ingediend binnen zeven dagen nadat de in het tweede lid bedoelde beschikking ter kennis is gebracht.