Art. 60bis.
De voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, blijven hun ambt uitoefenen in de zaken waarin zij zitting hadden ter terechtzitting en die in beraad zijn genomen vóór de datum van hun inrustestelling en nog niet tot een beslissing hebben geleid, behalve indien de voorzitter in functie hen op hun verzoek daarvan vrijstelt.
De verlenging van de ambtsuitoefening kan de termijn van zes maanden niet overschrijden.
Voor de toepassing van artikel 56, eerste lid, nemen de voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, zitting tot op het ogenblik waarop hun opvolger de eed heeft afgelegd.