Art. 51.
§ 1. De voorzitters en de rechters leggen in handen van de Koning de eed af die voorgeschreven is bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
§ 2. De referendarissen en de griffiers leggen die eed af in handen van de voorzitter.
§ 3. Zij zijn gehouden tot de eedaflegging binnen een maand na de dag waarop hun benoeming hun is bekendgemaakt; anders kan in hun vervanging worden voorzien.
§ 4. De eed wordt in het Nederlands of in het Frans afgelegd naargelang de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is.