Art. 50.
§ 1. De referendarissen en de griffiers die zich aan plichtverzuim schuldig maken, worden vermaand en berispt door de voorzitter, en geschorst en ontslagen door het Grondwettelijk Hof. Op de schorsing staat inhouding van wedde, met al de gevolgen van dien, zowel ten aanzien van het pensioen als van de latere weddeverhogingen.
§ 2. Geen dezer straffen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.
§ 3. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechtelijk gebied, dan kunnen de referendarissen en de griffiers, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het Grondwettelijk Hof in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de eindbeslissing is gevallen.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het Grondwettelijk Hof is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.