Art. 40.
§ 1. De Koning benoemt twee griffiers uit twee lijsten van elk twee kandidaten, de ene door de Nederlandse taalgroep, de andere door de Franse taalgroep van het Grondwettelijk Hof voorgedragen.
Artikel 32, tweede en derde lid, is mede van toepassing op deze voordrachten.
§ 2. De taalrol van een griffier wordt bepaald door zijn voordracht door de overeenstemmende taalgroep van het Grondwettelijk Hof.