Trefwoorden:volksraadpleging
Annot. Art. 30ter
Art. 30ter.
Het Grondwettelijk Hof doet, bij wege van beslissing, uitspraak over iedere gewestelijke volksraadpleging, voorafgaandelijk aan de organisatie ervan, door na te gaan of de in artikel 1 bedoelde normen alsmede de voorwaarden en nadere regels bepaald door of krachtens artikel 39bis van de Grondwet zijn nageleefd.
Het verzoek wordt ingediend door de voorzitter van het Gewestparlement. Dit verzoek wordt gedagtekend, omvat het voorwerp van de volksraadpleging, door aan te geven bij welke gewestelijke bevoegdheid ze aansluit, en bevat de formulering van de vraag die zal worden gesteld, de naam van de initiatiefnemer van de volksraadpleging of, als er meerdere initiatiefnemers zijn, de naam van hun vertegenwoordiger, de eventuele opmerkingen van de voorzitter van het Gewestparlement en het administratief dossier. Dit administratief dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het is samengesteld.
Het Grondwettelijk Hof doet uitspraak binnen zestig dagen na de indiening van het verzoek.
Indien de volksraadpleging een van de in het eerste lid bedoelde normen, voorwaarden of nadere regels niet naleeft, of indien het Grondwettelijk Hof niet wordt geadieerd, wordt de volksraadpleging niet georganiseerd. De volksraadpleging kan niet georganiseerd worden zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken.