Wetshistoriek

Gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003 (BS 11 april 2003 (eerste editie)).

Lees meer

Rechtspraak en adviezen

Uiteenzetting van de feiten

Grondwettelijk Hof 27 februari 2014, nr. 37/2014

“B.7. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

B.8. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.”

Zie, in dezelfde zin:

Grondwettelijk Hof 27 november 2014, nr. 173/2014, B.3.2;

Grondwettelijk Hof 16 juni 2016, nr. 98/2016, B.7.1 – B.7.2;

Grondwettelijk Hof 18 mei 2017, nr. 64/2017, B.13 – B.14;

Grondwettelijk Hof 31 mei 2018, nr. 65/2018, B.7;

Grondwettelijk Hof 21 juni 2018, nr. 78/2018, B.12;

Grondwettelijk Hof 19 juli 2018, nr. 107/2018, B.6

Lees meer

Grondwettelijk Hof 11 mei 2016, nr. 70/2016

“B.3. De vordering tot schorsing bevat geen uitdrukkelijke uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de verzoekende partij aanvoert om die vordering te motiveren.