Trefwoorden:Grondwettelijk Hof, vernietigingsarrest
Annot. Art. 11
Art. 11.
Het staat aan het openbaar ministerie de intrekking te vorderen.
Het recht om de intrekking te vorderen, behoort bovendien:
1° aan de veroordeelde;
2° aan degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast;
3° ingeval de veroordeelde of, in voorkomend geval, de persoon ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast, overleden is dan wel onbekwaam of afwezig verklaard is, aan zijn echtgenoot, aan de bloedverwanten in de neerdalende en de opgaande lijn, aan zijn broers en zusters;
4° aan de partij die burgerrechtelijk aansprakelijk is verklaard voor de veroordeelde of, in voorkomend geval, voor degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast.